Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van weldadigheid hier en daar misbruiken zijn; dat er wel eens op eene verkeerde wijze ondersteuning aan behoeftigen wordt verleend; dat daarom eene goede regeling noodzakelijk is: dit alles is waar, maar die Wenschèlijke verbeteringen moeten door de kerkgenootschappen zelve worden ingevoerd en niet door eene staatswet.

Laat ons nu tot de beschouwing van de wet Belvei overgaan.

De eerste drie artikelen bepalen wat armbestuur en instellingen van weldadigheid zijn, en hoe die door de wet onderscheiden worden. Uit hetgeen vooraf is" gezegd volgt, dat onder armbestuur, in de termen der wet vallende, noch het kerkelijk f noch het bijzonder armbestuur mag gerekend worden; dat geene subsidiën geniet; waarop dan ook slechts het Art. 16, waarover later, van toepassing>4rijh kan. De M. van T. geeft eene uitlegging van de woordeny aorgxaoa? behoeftigen, in Art. 2 voorkomende. De Minister schijnt dus zelf begrepen te hebben, dat die woorden niet bepaald genoeg zijn. Maar waarom dan die uitlegging niet fis de wet opgenomen ? Dan zoude men later, bij verscnfl van opvatting, de juiste bedoeling van den wetgever niet in de M. van T. en de discussiën bij do Kamers over dei-wet gehouden* behoeven te zoeken.

Onder die punten van armenzorg, in de M. van T. opgegeven, komt ook het onderwijs* voor, en voor zoover dat niet1 met opvoeding in gestichten is vereenigd, behoort het voorzeker niet in deze wet te huis.

Sluiten