Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te treden. De Feller verhaalt dat de oversten aanvankelijk aarzelden hem wegens zijne geringe geestvermogens in de orde op te nemen, maar Reiffenberg vermeldt daar niets van en zegt eenvoudig: „hij deelde zijn verlangen aan Johannes Goster den provinciaal der Rijnlandsche provincie mede en zag zijne bede verhoord."

II.

Niet lang echter mocht Athanasius zich onbekommerd in de vervulling van zijn hartewensch verheugen; bij een harden val onder het schaatsen rijden kreeg hij eene gevaarlijke breuk; daarbij kwam nog een bedenkelijke huiduitslag op de beenen veroorzaakt, naar hij meende, door de koude in de kille aan de studie bestede winternachten geleden. Om zijne opname in de orde niet in gevaar te brengen vormde hij het meer koene dan verstandige besluit beide kwalen zorgvuldig geheim te houden, waardoor zij natuurlijk met den dag verergerden; hij hoopte desniettemin dat de goddelijke Voorzienigheid hem zonder menschelijke geneesmiddelen de gezondheid zoude weder geven. „Toen ik met dit vertrouwen op God was vervuld, verhaalt Kircher zelf, kwam de tijd waarop ik mij naar het noviciaat te Paderborn moest begeven. Wat ik op die reis geleden heb weet Hij alleen die aller harten doorgrondt. Na alle moeielijkheden overwonnen te hebben kwam ik den 2 October 1618 op de plaats mijner bestemming.

Maar de kwalen waaraan ik leed konden reeds den eersten dag niet verbórgen blijven. Want daar ik wegens de hevige pijn aan de voeten onder het gaan waggelde moest ik wel aan de oversten die dit bemerkten het euvel openbaren. Vol schrik verklaarde de heelmeester op het eerste gezicht de kwaal voor ongeneeselijk: door de bovenmatige vermoeienissen der reis was namelijk het koud vuur er in

Sluiten