Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen kon zijn, als zij door Zijne komst geworden \s. Hij kende God en duidde het Goddelijk Wezen als hoogst volmaakt geestelijk aan, hetwelk niet slechts op bepaalde tijden, maar ten allen tijde, niet op eene afzónderlijke plaats en door een bijzonder volk, maar op alle plaatsen en door alle volkeren konde en behoorde gediend te worden. — Hij bewees,, dat Hetzelve Zijne goedheid en. genade aan allen wilde betoonen; — dat Hetzelve geene uitwendige pligtpleging, maar het inwendig bestaan des harten aanmerkt; — dat Hetzelve van menschen geene slaafsche dienstbaarheid, gepaard met schrik en beving, maar kinderlijke gehoorzaamheid vordert; —dat in Hetzelve strenge regtvaardigheid met teedere liefde vereenigd is; — dat Hetzelve, in het onderhouden van al Zijne schepselen en in het besturen hunner lotgevallen, gelijk is aan eenen naauwlettenden en zorgenden vader, zoodat Hetzelve, zoowel voor de mingeachte plant en voor het redelooze dier, als voor den mensch zorgt (1).

Bovendien blijkt ons Zijne volmaakte wijsheid uit Zijn uitnemend juist oordeel en schrander vernuft, van welke Hij in Zijne gezegden, in Zijne vragen en antwoorden vele bewijzen heeft gegeven. Bijv. Zijne vijanden, zeggende dat Hij door Beëlzebul, den Overste der duivelen, de duivelen uitwierp, beschaamt Hij ten diepste, ten aanhoore eener groole menigte, door terstond en eenvoudig te antwoorden: »een ieder koninkrijk, iedere stad en elk huisgezin, tegen zich zelf verdeeld, wordt verwoest, kan niet beslaan ; en indien de Satan den Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich zeiven verdeeld, hoe zal dan zijn rijk bestaan (2) ?" Even zoo doet Hij Zijne vijanden als verstomd henen gaan, als zij Hem eene allerlistigste, met rijp beraad gesmede strikvraag voorleggen, volgens welke Hij in de beantwoording derzelve eene regtmatige beschul-

(1) Malth. VI: 25—31 en X: 30.

(2) Matlh. XII: 24—27.

Sluiten