Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Jkzüs, een bij uitnemendheid verhoogd en verheerlijkt mensch.

Diep, ten uiterste diep! is de mensch jezüs ver^e* derd door menschen; maar hoog, uitermate hoog! is ^wëerd en verheerlijkt door God. Was «gne vernedering ten diepste, toen Hij aan het vloekhout, door merischenbanden genageld, hing en stierf: het is God, die Hem aan datzelfde vloekhout door menschen, zoo uitnemend in Godsvrucht als rgk in aanzien en bezit* tingen, in zijnen dood eert. Dezen nemen Hem, dentSestorvenen, niet door hunne huisbedienden, maar in eigen^ persoon, ten aanschouwe zijner bitterste vijanden, bij •welke ook zij bekend waren, van het vloekhout af, behandelen Hem als den' G.eliefdsten , en begraven Hen» als den Eerwaardigsten. Hoog, uitermate hoog! is Hij door God zeiven geëerd en gercgtvaardigd, die Hem, door menschen als eenen Godslasteraar veroordeeld en gedood, uit de dooden opwekte; door welke daad zijne leer, dat Hij de Zoon des levenden Gods was, als de hoogste -waarheid bevestigd werd. Hoog, uitermate hoog! werd Hij door God geëerd en verheerlijkt, toen Hij Hem ten hemel heeft opgenomen, en Hem, ongetwijfeld al oprterende, door datzelfde■ Bngelenheir, door hetwelk Hij Hem in de velden van Bcthlèkem geëerd had, geleidde en vereerde. Verbeelden wij ons—en wie zal dit noemen ijdele verbeelding? — verbeelden wij ons, dat bij de komst van Hem —den Eersteling uit de dooden 1 den Held,die overwonnen heeft, den Middelaar tusschen God en menschen — de gansche hemel in gespannen verwachting, in de eerbiedigste houding is; dat aller aandacht op Hem is gevestigd, en de millioenen engelen en gezaligden Hem, als het Lam dat geslagt is, de hoogste eere, dengrootsten

Sluiten