Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Dooper, »dat jezus Zijn Zoon is (1)." Hij getuigt dit bij herhaling door hoorbare stem uit den Hemel (2). Hij bewijst Zijn ongenoegen over hen, die den mensch jezus als Godslasteraar veroordeeld en, hangende aan het kruis, deswegens gehoond, getergd en bespot hebben; want diézelfde menigte, welke als eene uitzinnige pilatus toeschreeuwde : » kruist Hem ! weg met Hem ! wf| hebben eene wet, en naar onze wet moet Hij sterven , want Hij heeft zich zeiven Gods Zoon gemaakt," en welke Hem zwoegende aan het kruis toeriep: »indien gij de Zone Gods zijt, zoo kom af van het kruis! dat God Hem nu verlosse, op wien Hij vertrouwd heeft! want Hij heeft gezegd: ik ben Gods Zoon (3);" — deze zelfde menigte ziet op den 'helderen dag eene akelige duisternis, gevoelt eene zware aardschudding, en gaat als in wanhoop, op de borst slaande, huiswaarts. En ditzelfde volk, in dezelfde zonde voortgaande , bezoekt Hij jaren daarna met de omkeering en verwoesting van hunne stad en tempel, en verstrooit hetzelve als ballingen over de geheele aarde; terwijl Hij integendeel aan Hem, die er op gestorven is dat Hij dé Zoon van God is, Zijne gunst bewijst en goedkeuring geeft, door Hem uit de dooden op te wekken : waaruit ons ten duidelijkste blijkt, dat Hij als Godslasteraar ten onregte veroordeeld is. God zelf hééft dus door Engelen en menschen, ja zelfs door eigene hoorbare verklaring en zigtbare daden, deze waarheid geleerd en bevestigd.

II.

Be getuigenis van den Heere Jezus.

De getuigenis van den Heere jezus, aangaande zijn Goddelijk Zoonschap , is alleen in den zin van eeuwige

(1) Joh. I: 34. (2) Mattb. III: 17 en XVII: 5. (3) Luk. XXIII: 18, 21 Joh, XIX: 6, 7 en Malth. XXVII: 39—44.

Sluiten