Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eene wonderdadige vischvangst; de melaalsche, die van Hem eene wonderdadige genezing begeert, en zich verzekerd houdt, dat Hij hem deze kon geven, kon in zijne aanbidding zich voor God niet dieper verootmoedigen, hij valt op de aardé; de schepelingen aanbidden Hem, wien zij verklaren Gods Zoon te zijn, als zij Hem op de holle zee zien wandelen en den wind hooren bestraffen. Deze gelegenheden in aanmerking genomen, moeten wij dan niet veel eerder tot eene aanbidding, aan Hem toegebragt zoo als die aan God toekomt, besluiten, dan tot een eerbewijzing, zoo als men die naar oostersche wijze aan vorsten en buitengewone menschen toebrengt; daar Hij bij al dezen de bewijzen Zijner Almagt heeft gegeven ? Indien nu de Heere jizos niet meerder dan een mensch of een der verhevenste schepselen was, zou Hij gewis die eere niet waardig zijn, en Hij dezelve ten sterkste hebben afgewezen; ja wij mogen van Zijne nederigheid verwachten, dat Hij zelfs de eerbewijzing, welke men gewoon was vorsten toe te brengen, zou hebben tegengegaan, even gelijk Hij ontweek, als men Hem tot Koning wilde verheffen (1), vooral als dezelve een gevolg was van het zien van Zijn wonderdoend vermogen, en gepaard ging met Hem Zone Gods te noemen, ten einde de aanleiding tot de zonde van afgoderij te weren; lezen wij dit echter nergens, ligt in het verhaal der Evangelisten opgesloten, dat Hij dezelve met welgevallen aannam, aanbad Hem ook stephanüs stervende (2), in welke aanbidding wij tevens zien, hoe de eerste Christenen over Zijne evengelijkheid met God dachten, dan zijn wij overtuigd, dat Hij die eere waardig is.

Een en andermaal betuigt petros Zijn discipel Hem plegtig, dat Hij de Christus, de Zoon des levenden Gods is (3). Deze discipel kon dit , naar de kerkleer in

(1) Joh. VI: 15. (2) Hand. VII: 60. (3) Joh. VI: 69. Malt XVI: 16,

Sluiten