Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den eerslgenoemden Psalm als God, en in den anderen als Scheppen? van het Heelal wordt aangesproken (1).

Zoo dacht en schreef over jezüs den Nazarener een Apostel, niet die een heiden van oorsprong was, en daardoor nog niet geheel het denkbeeld van een veelgodendom had afgelegd, maar een van het heidensch veelgodendom zoo afkeerigen Jood; die niet een onkundige, en daardoor een blinde en overdreven navolger van anderen was, maar een geletterde en van jongs af in de Schriften onderwezene, niet door eenen begunstiger en aarthanger van den Heere jezüs, maar door den vermaarden Joodschen Leeraar en Farizeër, lid van den grooten Joodschen Raad, Gamaliël; zoo schreef paüujs, weleer een bitter vijand van den Heer en een hittig vervolger der Christenen. Indien nu zulk een man den Heere jezüs Gods eigen' natuurlijken Zoon noemt, met God den Vader gelijkstelt, dan moeten wij erkennen, dat Hij van de kracht dezer waarheid in zijne ziel overtuigd zal zijn geweest, en dezelve, zoo min als de Apostel petrüs, door vleesch en bloed zal hebben leeren kennen.

Ten besluite kunnen wij hier nog bijvoegen , dat uit den aard van des Heeren betrekking tot menschen, uit die van Zaligmaker, moet volgen, dat Hij zoo wel God als mensch moet zijn (zonder nog te zeggen, dat Hij noodzakelijk als de zoodanige moest beslaan, om door Zijn lijden en sterven verzoening der zonden aan te brengen, daar Hij zulks onmogelijk als bloot mensch kon doen, en evenmin eigenmaglig zijn leven kon afleggen); want wij vragen: hoe zou Hij als bloot mensch de zijnen kunnen kennen, kunnen weten waar zij zijn, en wat zij in hunne onderscheidene omstandigheden lot hunne zaligheid noodig hebben , hetgeen echter alles in Hem, als zoodanig beschouwd, hoofdvereischte is; ten einde een ieder te geven zoo veel, op die

(1) Hebr, I: 8—10.

Sluiten