Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze, ep dien tijd, en zoodanige garen, ais elk hunner zou behoeven, waartoe hij Almagtig, Alwetend en Alomtegenwoordig moet zijn, en ons bijv. in de bekeering van saülüs blijkt? Hoe zou Hij Zijne gemeente kunnen kennen, welke Hij toont te kennen (1); hoe zouden menschen tot Hem , miste Hij die Goddelijke eigenschappen, hunne toevlugt kunnen nemen, hetgeen zij moeten kunnen , zoo Hij hun Zaligmaker is? wordt hij daarom niet genoemd Emmanuèl, God met ons? Getuigt Hij bovendien , zelf magt te hebben Zijn leven af te leggen, dat Hij de Zijnen -kent, met-hen zal zijn tot de voleinding der weteld: dit een ën ander verzekert ons, dat Hij God en mensch is en zijn moet, om voor zonderen te wezen, die Hij zelf zegt te zullen zijn.

' Indien wij nu al het genoemde te zamen nemen, zijn wij dan nog in het onzekere, hoé wij over Hem te denken, Hem te erkennen-en te vereèren hebben? Neen 1 wij zijn in opzigt tot deze waarheid niet in het onzekere ; neen! het kan voor gecnen onpartijdigen onzeker zijn, niet hoe, maar dat Hij van eeuwig af uit God geworden en Hij daarom Gods eeuwige, natuurlijke Zoon is, dat Hij God gelijk de Vader is. En mögt men achten, dat wij , die deze waarheid van ganscher harte gelooven, dezelve door blinde ingenomenheid met onze kerkleer, en, in dezelve van der jeugd af onderwezen, zonder zeiven te denken, overgenomen hebben; mogt men meenen, dat wij dwalen: wij,en allen aan wier harten deze waarheid geheiligd is, verklaren vrijmoedig voor God, den Alwetend en, dat Hij zelf, dat jezus christüs en Zijne Apostelen ons tot die dwaling aanleiding hebben gegeven, maar tevens, dat volle overtuiging ons daartoe geleid heeft. Doch daar de overtuiging dezer waarheid op zich zelve niet genoeg is, zoo behop/en -wij ons zeiven te onder—

(1) Openb. II. UI.

Sluiten