Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daalt, opdat de menschen daarvan eten en niet sterven. Maar dan wil onze Heer ook allés in het volledigste licht plaatsen door er vs. 51 bij te voegen: Ik ben dat levende brood dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven, en het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. Kenbaar wijst onze Zaligmaker dus aan, dat Hij op zijn vleesch, dat is op zijne menschelijke natuur dacht, dat Hij sterven zou tot heil der menschheid en dat dit tot zegen voor Jood en Heiden, voor de wereld wezen zou. Voorzeker zulk eene ontdekking was voor zijne tijdgenooten en is ook voor ons van het allermeeste belang.

Intusschen was het van een alleruitnemendst belang, dat onze Heer dit denkbeeld, dat Hij sterven moest tot heil en redding der wereld, nog wat verder uiteenzet en opzettelijk aantoont, dat het deelgenootschap aan zijnen zoendood de eigenlijke en eenige oorzaak is van der zondaren gelukzaligheid. Dat doet Hij naar eene bijzondere aanleiding, wélke Hij daarvoor had, op eene zeer sterksprekende wijs en met eene toepassing, welke Hij zelf daaraan toevoegt. De bijzondere aanleiding welke de Heiland thans had is de twist der Joden, die zij onder elkander over het laatst gezegde woord gemaakt hadden: Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven? Had onze Heer reeds te voren getoond, dat Hij zelf, in eigen persoon, hun zoo noodig voor de ziel tot hunne redding en behoudenis was als het brood voor 's menschen ligchaam, en had Hij daarna gezegd, dat Hij sterven moest voor het heil der wereld, dan sprak het wel van zelf en zeer duidelijk, dat zijne woorden zinnebeeldig waren en dat Hij door zijnen dood het brood des levens worden zou. Maar dan immers is de twistrede van de Joden allezins onheilig, vol van vooroor-

Sluiten