Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God en zijne Engelen verklaren: lk héb ze nooit gekend. Hij heeft ze wel gekend als bewoners der aarde en van uit zijne hemelen gadegeslagen in al hunne bedoelingen en bedrijven, maar als zijne belijders, als zijne getrouwe aanhangers en geloovige vrienden kende Hij hen niet, daar* onder, zoo verklaart Hij voor God, behooren zij niet. Opentlijk, onbewimpeld en op eene beslissende wijze zegt Hij bet daarboven voor den Heiligen en Eegtvaardigen, dat zij de zijnen niet zijn, dat zij nimmer in waarheid naar Hem gezocht en gevraagd hebben, dat zij nimmer gewasschen zijn in zijn bloed noch ook geheiligd door zijnen Geest, dat zij veeleer door Hem veracht en veroordeeld worden. Ja, Hij zal zich schamen, dat zij immer tot zijne gemeente hebben behoord; naar zijnen naam werden genoemd en zijn Evangelie schijnbaar beleden hebben? en zullen zij dan rust smaken in hun sterven en zaligheid genieten na den dood?

Indien zulk eene verklaring van den Heer reeds een jammerlijk loon over de verwerping van den Christus Gods toekent, hoeveel te sterker spreekt dit nog zoodra wij de gelijkluidende plaats bij Mattheus inzien, dewijl de Heer, volgens aanteekening aldaar, ook gezegd heeft, dat Hij een iegelijk vergelden zal naar zijn doen. Dat vergelden wijst ons op de beslissing des doods en der eeuwigheid, wanneer Hij zal buiten sluiten een iegelijk die niet tot zijne geloovige vrienden behoort en hen werpen zal in de duisternis, verwijdert van het heldere licht en de uitnemende vrolijkheid, die in de feestzaal des hemels wonen zal, tandknerzende van wanhoop en spijt, van wroeging en rampzaligheid. Dat vergelden naar eens iegelijk doen bevat in zich een eindeloos verwijderd zijn van Christus en zijne zalige gemeenschap, die alle begrip te boven gaat en waarvan het tegenovergestelde eene onuitdrukbare rampzaligheid in zich bevatten moet. Dat vergelden van een iegelijk naar zijn

Sluiten