Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geheel de vergelijking van den dood met den slaap is xctra tö cpetivopevov naar het verschijnsel ; altijd blijft dit toch waar, dat bij den eenen de slaap eens dooden bij den anderen de slaap eens levenden plaats heeft en daar nu juist in dit soortelijk onderscheid een hoogstgewigtig verschil ten opzigte van het ligchaam bij beide wordt daargesteld , zoo zal toch wel de gevolgtrekking altijd mank gaan als men van de bewusteloosheid (gesteld eens dat die bestaat) in de ziel van een levend individu in den slaap , tot de bewusteloosheid in de ziel van een die den doodslaap is ingeslapen, besluiten wil, daar de dood in de scheiding van ziel en ligchaam , zijn wezen heeft.

E. Doch men wil het gevoelen der Heiligen in 't O. T. ten bewijze aanvoeren , dat zij althans den staat des doods als die van bewusteloosheid schijnen beschouwd te hebben. Hooren wij Job III: n , 22. «Waarom ben ik niet «gestorven van de baarmoeder aan enz. ik zou slapen, dat »zou voor mij ruste wezen — daar houden de booze op »van beroering ; daar rusten de vermoeide van kracht', «daar zijn de gebondene te zamen in ruste : zij hooren de »stem des drijvers niet — die verlangen naar de dood maar »zij is er niet — die blijde zijn tot opspringens toe en verheugen zich als zij het graf vinden !» enz.

Hier, zegt men, hoort men de bitterlijk bedroefde naar het graf verlangen, niet om de zaligheid, diehij gaat genieten , maar om de ruste des doodslaaps. Welnu, dit geven wij volmaakt toe. De overmaat van lijden bij den zwaarbeproefden onderdrukt het leven der ziele en hij ziet dus meer op de ontheffing der hevige kwelling des ligchaams bij den dood en daarom als begeerlijk , dan dat hij hier op den toestand zijner ziele zijn aandacht zou gevestigd hebben.

Even zoo noemt hij den dood in het Hoofd. VII: 21 een liggen in 't stof, een niet zijn, natuurlijk van 't ligchaam ,

Sluiten