Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■dilziek in de ingewanden van anderer groepen verleden te woelen, maar dat wij allen hebben te zien op aller eenparige belijdenis <en de door allen erkende eenheid van Kerkelijke ordening.

Dankende wij God en den Vader, dat Hij in Zijne oneindige barmhartigheid én vroeger in veler anderer, én nu in onze harten de, bereidvaardigheid, om ons onder het juk Christi te stellen, door zijnen Heiligen Geest verwekt heeft."

En bepaaldelijk ten aanzien van de Christelijke, Gereformeerde Kerk is aangenomen:

„Bij het bespreken van de vereeniging met de broederen, die zich noemen „deChristelijke, Gereformeerde Kerk," mag nooit gedacht aan een staaü in tweeërlei Kerk, zoodat men nu öf uit de eene in de andere zou overgaan, öf beide zou saamsmelten, maar moet uitgangspunt zijn de overtuiging, dat beide groepen behooren tot, en staan in „de vergadering der geloovigen" en in zijn in den wortel der historische Gereformeerde Kerken ■dezer landen.

"Waar derhalve én zij én de thans ontkomene Kerken zich in vorm van Kerkregeering openbaarden, staan niet twee Kerken naast elkaar, maar twee Kerkbesturen, die beide beweren autoriteit over de eene en zelfde Gereformeerde Kerk te bezitten of te moeten bezitten.

Daar nu echter, naar den loop der dingen, deze beide plaatselijke Kerkbesturen niet op eenmaal ineen kunnen smelten, is het geraden beiderzijds toe te stemmen, lo. dat de toestand, waarop men behoort aan te houden, die van ineensmelting is, maar 2o. dat men tijdelijk, als abnormaal, deze gedeeldheid drage, en er op bedacht zij, om bij ontstaande vacature in beide hesturen, telkens de iueensmelting te beproeven.

Onzerzijds staat alzoo reeds nu niets aan deze ineensmelting in den weg, mits het Kerkbestuur hunnerzijds slechts aan geen andere banden gebonden zij dan de Formulieren van eenigheid en de Kerkenordening.

Daarentegen mogen en kunnen wij ons niet voegen onder het hunnerzijds aanvaarde Reglement van 1869, naardien de beginselen van dit Reglement in meer dan één opzicht anders i^ijn dan die van onze Kerkenordening.

De vraag, of en welke stappen nu reeds te doen waren, om deze goede en van God gebodene ineensmelting tot stand te brengen, dient beantwoord in dien zin, dat overijlen hier schaden zou, maar dat het goed ware zoo elke Kerkeraad onzerzijds iich tot den Kerkeraad van dezelfde Kerk hunnerzijds richtte,

Sluiten