Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarvoor nu te waken is, naar luid des Woords en van de lessen dezer historie, onze dure roeping.

En hiermede, waarde Broeders, met onze verhouding namelijk tot het Genootschap, dat zich noemt en in ons goede Vaderland officieel heet „de Ned. Herv. Kerk," hangt, zooals meenen wij genoegzaam bleek, de al of niet onomwonden erkenning Van het Goddelijk werk der scheiding in 1834 en later saam. Zult gij dat werk Gods onomwonden erkennen, dan moet Gij ook het geheele werk Gods in uw midden, hoezeer het in bijzonderheden mag verschillen, niet anders dan een voortzetting van het Reformatorische werk Gods in '34 begonnen, kunnen en willen aanmerken. Vóór we tot vereeniging overgaan, moeten wij ook. in dit opzicht weten wat we aan elkander hebben. De 'voorstellingen moeten uit zijn en ook opgegeven worden, alsof wij „over den muur zijn gesprongen," en met U en door U het Reformatorische werk eerst recht is aangevangen.

Dat wij, broeders, bij deze voor ons cardinale punten eenige oogenblikken stilstonden eu op zijn goed Zeeuwsch goed rond ons uitspraken, houdt Gij, vertrouwen wij, ons ten goede.

Over andere dingen, die in uw schrijven nog onze aandacht trokken, kunnen wij kort zgn, hoewel wij er ons ook wel over willen uitspreken.

Het trok, bijv. onze aandacht, dat Gij onsschreeft: „Vereeniging met de broederen, die zich noemen de Christelijke, Gereformeerde Kerk." Gij wêet als men zich aldus uitdrukt, dat men dan in den regel zeggen wil: Zij „noemen" zich zoo, maar zijn het niet. Wij nu houden ons overtuigd, dat we ons terecht zoo hebben genoemd; zoo hebben genoemd, omdat wij het waren.

Doch hiermede wilden wij natuurlijk niet zeggen, dat er im Nederland buiten de Christelijke, Gereformeerde Kerk geen kinderen Gods waren, geen waren die tot de Gemeente behooren, welke de Heere Jezus gekocht heeft door Zgn bloed; en wij willen er evenmin meê zeggen, dat Gij thans, voor God, niet evenzeer recht hebt op dezen zoo juisten en schoonen naam. En omdat dienaam ons zoojuist en schoon voorkomt, hopen we van harte ook voortaan ons zoo te mogen blijven „noemen." Nietstoch is natuurlijker en niets ligt meer voor de hand dan dat de Kerk zich in de eerste plaats en vóór alles naar haar Heer, Hoofd en Meester noemt. Dat zij ter onderscheiding evenwel niet alleen „Christelijke," maar ook „Gereformeerde'^ heet, is, we stemmen het toe, thans noodig en goed. En weL omdat we de Kerk zgn en moeten zgn, die in het reformato-

Sluiten