Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deld heeft, als waardoor hij mij verpligt heeft, om de ware toedragt der zaak voor het publiek bloot te leggen. — Nog zij het mij, bij deze gelegenheid, vergund, genoemden Heer te doen opmerken, dat hij, in zijnen eersten Brief, de Jezuitsche inrigting te Kuilenburg tegen het geopperde vermoeden, dat aldaar de wettigheid van den moord, aan Willem den I gepleegd, werd geleerd, niet alleen op zwakke gronden verdedigd, maar ook, minder bedachtzaam, in' dien Brief eene plaats heeft medegedeeld, welke die verdediging niet weinig verzwakt. Het voornaamste toch, 't Welk hij ter verdediging aanvoert, is de opgave van het ge» schrift, 't welk, op dat Instituut, tot leiddraad voor het onderwijs der Yaderlandsche Historie dient, het Kort overzigt namelijk van de Geschiedenis der Nederlanden door mijnen geachten ambtgenoot, den Hoogleeraar schrant. Maar zal na i een zoo hoogst beknopt geschrift, op een wetenschappelijk Instituut als dat van Kuilenburg, niet eene breedvoerige verklaring der kort aangestipte bijzonderheden ontvangen ? En wie gevoelt niet, dat op die verklaring alles aankomt? He Heer van vreb zelf zal, vertrouw ik, dit gereedelijk toestemmen, vooral, wanneer ik hein zijne eigene woorden herinner, voorkomende aan den voet van bl. 14 van zijnen derden Brief, alwaar men leest: » Wat zou » zelfs de invoering der beste schoolboeken baten, in» dien de Onderwijzers dezelve door hunne voordragt » vergiftigden?" De bedoelde plaats, welke, naar mijn oordeel, bij elk' opmerkzaam' lezer den indruk van zijne vroegere verdediging merkelijk verzwakken moet, behoort tot de redevoering van een' voormalig' kwee-

Sluiten