Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lander uit zijne barre ijsstreken. De neger zal alsdan vertoeven in de tente van den Europeaan, en de slaaf de broederhand des geloofs toereiken aan dien, die hem eertijds als lastdier heeft onderdrukt!

O welkom, overheerlijke profetie! zoo roept het geloof. En indien gij het bezit, geliefden! hoeveel oorzaak is er dan om op heden eenparig en dringend het van den Almagtige te smeeken: „Groote God ! van dien dag, op welken het zijn zal ééne kudde en één Herder, och dat die heilzon spoedig dage!"

H. Spoedig dage? Maar hoe: schijnt dit niet eene tastbare onmogelijkheid? Hoevele stemmen des ongeloofs en der wanhoop schijnen toch den predikers van goede dingen toeteroepen; „Houdt toch op ijlhoofdige dweepers eener heilrijke toekomst! Weet gij dan niet, welke verdeeldheid er overal heerscht reeds onder 't naamChristendom? Hoe durft gij nog van eene eenheid der kudde te gewagen! Hoe waagt gij het toch, zelfs van eene toebrenging der Heidenwereld ook maar te droomen?"

Inderdaad, Geliefden! de vervulling der profetie schijnt werkelijk eene onmogelijkheid. Of woedt niet thans stouter dan ooit het ongeloof? Iferheft het niet zelfs zijne stem op christelijken leerstoel en kansel?

Hoe rijt het alle banden mededoogeloos van een. Doch het ongeloof is 't niet alleen. Ook het "bijgeloof, ook het twistvuur, dat door den Sectengeest schier overal wordt in- en uitgeblazen. Hoe is toch de reine leer des Ouden en Niéuwen Testaments zoowel ter regter- als ter linkerzijde verbasterd geworden! Levende orthodoxie in star — en geestdoodend orthodoxisme! Ware piëteit of vroomheid in dweepziek piëtisme. De leer van Gods vrije genade in Christus, welke de Heilige Schrift stelt als den eenigen grond van zaligheid voor een arm zondaar, is bij velen in gevoelsleer, of vrije-wildrijverij, of in eene noodlotsleer of wel in de leer als van een Oostersch-vorstendespotisme ontaard! Zóó staat het in Nederland, maar ook in Duitschland, Zwitserland, waar niet al meer?

Zoo gaat het toe in die christenlanden, die nog — en dan niet meer dan in naam! — slechts het vierde gedeelte des aardbodems beslaan. En zijn de volkeren zoo door leer als door leven, door belijdenis als door wandel nu reeds zóó verdeeld, schijnt het dan niet veeleer onmogelijk, ondoenlijk de Heidenen voor christus en Zijn kruis te willen winnen?

Wie zullen toch daar den christus prediken? Ook niet prediken

Sluiten