Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord; wij zijn immers noch Heidenen, noch Joden; onze namen zijn opgeschreven in de doop- en lidmaatboeken van Christelijke gemeenten; hoe zouden wij niet tot christds gekomen zijn? Wij betwisten het niet, en nogthans herhalen wij de vraag: Zijt gij tot christcs gekomen? en zoo ja, zijt gij besloten Hem nimmer te verlaten?

Komen tot christds — blijven bij christds, ziedaar de roeping eens Christens, en niet ligt zal iemand, die Christen wenscht te wezen, dit ontkennen. Maar nu evenwel ontstaat een belangrijk verschil, zoodra de vraag geopperd wordt: Welke is de toestand waarin, welke de wijze, waarop, en bovenal wie is die cbhistbs, tot Wien men komen en bij Wien men blijven moet ? Van den beginne af is de Persoon des Heeren het middenpunt van den strijd geweest; de groote vraag tusschen den Heere en de Farizeën en tusschen het geloof en het ongeloof onzer dagen is: Wat dunkt u van den chbjstbs? Wiens Zoon is Hij? In gindsche dagen, toen de Heer zelf deze ernstige vraag tot de zielen rigtte, was men wel is waar verblind,, maar tevens rondborstig genoeg om zijne Godheid te loochenen; thans acht men het geraden, wel de woorden te gebruiken, die zulk een geloof doen vermoeden; maar men berooft die tegelijk van hunne wezenlijke gehalte; daarom heeft men dubbel toe te zien, dat men zich door geene ijdele klanken verleiden late. Wij beginnen met de verklaring, dat wij wel u op Hem kunnen wijzen, Hij zelf moet zich echter aan uwe harten bewijzen; wij kunnen wel in uw midden van Hem getuigen, Hij moet zich .zelf aan uwe zielen betuigen. Vleesch en bloed kunnen dit immers niet openbaren; niemand kent den Zoon dan de Vader, en wien de Vader het heeft geopenbaard; niemand kan jezus zijnen Heer noemen, dan door den Heiligen Geest. Zoo het anders ware, zoude ons geloof niet eene gave Gods,

Sluiten