Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3) De Zoon nam eenmaal in Maria. , die altijd maagd is geweest, onze natuur aan: het Woord werd vleesch en bleef toch God. In Christus is mensch en God, ligchaam en ziel vereenigd.

4) De Zoon Gods is in waarheid, even als wij, aan honger, dorst en den dood onderworpen geweest, maar Hij was dit door Zijne menschelijke natuur, die voor lijden vatbaar was. In zoover Hij God is, kan Hij niet lijden. In Hem is gestorven hetgeen sterfelijk was.

5. Ten derden dage stond Hij op en voer ten Hemel , en is gezeten aan de regterhand Gods; Hij heeft nog hetzelfde vleesch, waarin Hij geboren werd. Zijne menschelijke natuur is thans verheerlijkt en blijft Hem eeuwig bij. Hij zal de levenden en dooden oordeelen.

6) Wij gelooven ook aan de opstanding des vleesches, en dat wij eeuwig zoo zullen blijven, als wij bij onze opstanding zijn.

7) Wij gelooven ook aan den heiligen Geest, die, zelf God zijnde, van den Vader uitgaat, en Vader en Zoon tevens is. In tegenstelling van Sabellius nemen wij drie onderscheidene personen aan: den Vader, den Zoon en den heiligen Geest (*).

f) Pelagius is nog vermaard door zijnen strijd met Aucustinus over de erfzonde, vrijen wil, goddelijke genade en voorbeschikking. Hij leerde, dat er geene erfzonde bestaat, dat de mensch door zijnen vrijen wil de magt heeft, om het goede of kwade te kiezen, dat alle menschen dien ten gevolge kunnen zalig worden. Aan de Christenen evenwel is, volgens zijn gevoelen, eene hoogere zaligheid toegezegd. Tot verkrijging daarvan zijn hun het voorbeeld en deleer van Christus, benevens bijzondere genadewerkingen verleend. Deze laatsten echter moeten steeds door eene vrijwillige keuze van het goede worden voorafgegaan.

Sluiten