Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen geweest was , voor de commissie was dus de zaak moeijelijk, hetwelk hen deed bestuiten, wijl zij zich onbevoegd vonden, om nu verder voort te gaan, (inmiddels aanzoek krijgende om eene uitspraak te doen) om van hunne zijde versterking uit elke classe te ontvangen , of dat er eene algemeene vergadering inogt worden belegd, waarin die zaak, (nadat de commissie verslag van hun onderzoek zoude gegeven hebben) mogt worden beslist; dit eohter werd geweigerd en tevens ontvingen zij eene bedreiging, ingeval zij geene uitspraak deden, dat dan de classis van Rotterdam , de zaak zoude eindigen. Alle verontschuldigingen der commissie hoe gepast en liefderijk ook, werden hard beantwoord en of zij al vooFbragt dat het hun niet toekwam te beslissen , maar wel een rapport uit te brengen op eene vergadering: niets baatte: eene elassicale vergadering werd te Dordrecht belegd den 4den en 5den Mei 1857 en met algemeene stemmen, de beide gesehortste kerkenraadsleden, ter afsnijding overgegeven.

Een Praesis en Scriba, die beiden in deze zaak beirolihen waren, eene classis, tegen welke geprotesteerd werd zonder de beschuldigden ter verantwoording te roepen, zijn dus regters en doen eene uitspraak ter uitbanning uit des Heeren Gemeente, van twee leden des Kerkenraads.

Niet zonder leedwezen zag de Commissie zulks aan, wel ziende, dat de dverheerschende kracht van Dom. C. van den Oever, de drijfveer was van deze uitspraak, doch hieraan oogenblikkélijk niets kunnende doen, verwachtte zij eene algemeene vergadering, waarin de zaak mogt herzien worden.

Omstandigheden in de Gemeente Rotterdam, gevoegd bij het gebeurde, gaven aanleiding tot het beleggen eener vergadering te Zwolle in hot jaar 1857; de commissie achtte het noodig, om ten minste één lid van 's Hage, hoewel afgesneden, te ontbieden, die echter beide verschenen, hopende, dat bij eene ontwikkeling der zaken, het hun gebeuren mogt alles nog weder te herstellen. Tot dat einde kwamen zjj dan ook voor de opening der vergadering bijeen, stelden een stuk op , waarin zij huoue zucht tot vrede en liefde openbaarden, behoudens het regt der kerk , ten einde dit bij de opeping der vergadering eerst voor te stellen.

De Norsche en onheusche behandeling voorbijgaande, bij de ontmoeting ondervonden, werd bij de opening der vergadering door den Praesis, C. van flen Oever verslag gegeven, van de redenen dier te zamenkomst en na eenigermate zijn hart ontlast te hebben, werd door een der commissieleden het genoemde stuk om vrede en liefde te hevorderen voorgesteld, waar na een gebed, om dit alles, tot God werd opgezonden.

Na het gebed werd de commissie door Ds, C. v. d. Oever geantwoord, dat ZEw. wel liefde en vrede wilde, doch Indien zij die afgesnedenen weder wilden herstellen, of daarover handelen; zijn Ew. dan de vergadering terstond wilde verlaten , dewijl hij met zulke menschen , geene gemeenschap meer hebben wilde (dit is nu de man, die zooveel van de

Sluiten