Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn twaalfjarige, dagelijksche omgang met de Joden heeft mij doen zien, dat de hier door mij opgenoemde de eenrg doeltreffende weg is. Naarmate het gevoel van zonde en schuld bij den mensch — ook bij den Israëliet ontwaakt, verlangt hij naar de verlossing, die daar in Christus Jeztjs is— naarmate hij de genade van dien Jezus leert ervaren, verstaat hij dat hij een zondaar is. Dit beken ik u echter: een Ariaanschen Christus predik ik niet; noch ken ik eene andere vergiffenis van zonden, dan die verworven is door het plaatsvervangend lijden van het Lam, door wiens striemen ons genezing is geworden. En nademaal ik niet geloof dat het om het even is, of men Christus beschouwe gelijk de wj/zinnige dan wel gelijk de regtzmnige Christen doet, of men. Zijn lijden houde voor plaatsvervangend en schulduitdelgend of niet, wijl het hier geen verschil van opvatting geldt, waarin men elkander in liefde iets toegeven kan, maar eene overtuiging die de eeuwige zaligheid betreft — zoo heb ik bij monde en geschrifte, naar de mate der gave mij door God verleend,-tegen vrijzinnigen en matig-vrijzinnigen getuigd, en hoop tot den einde toe in Zijnen naam daarin te blijven volharden.

En nu, Eerw. Heer! mogt er in den vorm van dit opstel iets zijn, waardoor ik buiten mijn weten en tegen mijne bedoeling, heb kunnen kwetsen, zoo vraag ik daarvoor verschooning; wat den inhoud betreft, daarvan kan ik geen enkel woord terugnemen.

Hiermede heb ik de eer te zijn

"WelEerw. Heer, N

Sluiten