Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Als één lid lijdt, lijdt immers het geheele tigchaam; daarom vertrouwen wij, dat Uwe harten niet liefdeloos gestemd zullen zijn, als door het voortdurend bestaan der ergernis, de gemeente des Heeren als verstrooide schapen blijft rondloopen.

• Dank zij des Ontfermenden Heer en Zaligmaker, dat Hij aan geen plaats gebonden is, maar dat Hij met Zijne Genade en Geest wil zijn, waar twee of drie in Zijnen naam zich vereenigen; — dat Hij daar wil zijn, waar een plek gronds zich bevindt, groot genoeg om twee knieën te bevatten die in ootmoed en geloof zich ter neder buigen om van Hem alléén hulp en heil te verwachten.

«Och, mogt toch onze bede, tot Uwe harten doordringen, om door wegneming van de aauleidende oorzaken der verdeeldheid en beroeringen, de zwakken te sterken, het kranke te heelen, het gebrokene te verbinden, het weggedrevene weder te brengen en het verlorene op te zoeken.

«De Geest des Heeren heilige die bede aau Uwe harten, op dat Herders en gemeente zich gezamelijk voor den Heere verootmoedigen en daardoor den band nog naauwer aansnoeren die de gemeente ouderling met hunne herders verbindt.

«Dat onze harten alléén gerigt mogen wezen, op Gods getuigenis-' sen in Zijn Woord geopenbaard, dan alléén zal het mogelijk zijn , dat de gemeente, tot roem van Gods genade, de blijmare verneme: «het kleed des ootmoed» en de mantel der geregtigheid van Christus den Heer, zij eenïg en alleen het geestelijk dekkleed van Herders en Gemeente te dezer plaatse, in leven en in sterven." «Dat zij zoo.

Middelburg,

21 September 1855. Onderteekend door 107 manslidmalen.

Nadat dit stuk was ingezonden, vernam men dat door de voorstanders der toga, een tegen-adres aan de huizen der gemeente-leden en op de openbare bureaux ter teekening werd aangeboden, door den bode van het Algemeen Armbestuur.

Sluiten