Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hij nu nog roepen kan: •> Bruiloftskinderen vasten niet."

De lezer vergelijke de beeldspraak des Heeren met van Koetsvelds aangehaalde woorden , en aanstonds zal hij zien, hoeveel hij op rekening van den angst voor Rome's donkere mijngangen te stellen heeft. Wat in de gelijkenis een ^weggenomen" zijn heet, wordt vrij overgezet door een » gewelddadig ontrukt" zijn. » Ontrukt" wordt nog ten overvloede onderschrapt. Waar de gelijkenissprcektvan »den Bruidegom ", legt van Koetsveld reeds een bruiloftsmaal aan, en geheel argeloos spreekt hij van »het beeld der Bruiloftszaal", dat Jesus hier zou gegeven hebben. Ts van Koetsveld hier reeds in funktie getreden, vervult hij hier reeds den last, dien hij meent van den Heer ontvangen te hebben, den last om nieuwe gelijkenisjes te bedenken? Indien ik niet van zijne goede trouw overtuigd was, ik zou hem thans zijn woord voor de voeten werpen: //ieder ketter heeft zijn letter", en er bijvoegen, indien hij zijn letter niet vindt, zal hij er wel een maken.

Waarop zou nu het antwoord, 't welk Jesus in de eerste gelijkenis gaf, volgens van Koetsveld, neerkomen? De Heer zou geantwoord hebben: //Spreekt mij niet van een vasten mijner leerlingen, want thans is er geen tijd voor, maar in de dagen van mijn lijden en dood zullen zij zóó bedroefd zijn, dat het eten hun niet meer zal smaken". Daar van Koetsveld hier, hoewel ter goeder trouw, aan 't parodiëren is, mag ik er — welteverstaan, niet bij de woorden des Heeren, maar bij de zijne — eene kleine parodie bijvoegen en hem vragen, of de leerlingen in die bange uren wel het voorschrift des Heeren onderhouden hebben, door het hoofd te zalven en bet aangezigt te wasschen? Ik stel deze vraag niet om te spotten, maar om van Koetsveld duidelijk te toonen, hoe hij zich zeiven weerlegt, wanneer hij zijne uitvlugten maar naast elkander plaatst.

Sluiten