Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik, die elk gunstbewijs, hoe klein ook, voor eeuwig heb verbeurd. Maar toch mag ik door genade op goeden grond gelooven, dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomenlijk heeft betaald, zoodat ik kan uitroepen:

Mgn zonden aL ja, zonder tal,

Zijn goediglgk vergeven, 'k Had den eeuw'gen dood verdiend,

»*i<§cf En krijg het eeuwig leven.

Ik ga achteruit en vooruit. Achteruit wegens de langzame slooping van mijn lichaam, mijn aardsche huis, maar vooruit naar mijne eeuwige bestemming, waarnaar mijne ziele zoo hijgend uitziet. De wereld en de zonde, ik ben ze zoo moede, en ze staan mij vaak in den weg in het dienen van den Heere. Thans ben ik weêr neêrgedrukt en twijfelmoedig, maar toch niet mismoedig. De laatste veertien dagen, die achter mij liggen, is het een spreken tot mijzelve geweest en dan weder tot den Heere, om mijn overkropt gemoed lucht te geven. En wat mocht ik ondervinden? Toen ik Woensdagmorgen „De Vriend" in handen kreeg, vond ik daar een stuk in, dat' zoo klaarblijkelijk voor mij eene stemme Gods tot mijne vertroosting was. „Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken." — Dat waren de heerlijke woorden, waar het eerst mijn oog op viel; en toen ik verder las, toen moest ik uitroepen: „Goedertieren God en Vader in den Heere Jezus Christus! dat hebt Gij in het hart van den schrijver gelegd!" Want in die weinige regelen vond ik als 't ware mijn geheelen levensloop. Zooals ik het daar las, zoo heb ik het alles naar waarheid ondervonden.

Ja, wat heeft de Satan al niet beproefd om mij van den weg des levens af te stooten, maar het is hem mislukt. Ver heeft hij het gebracht; ik struikelde; ik viel, amechtig en

Sluiten