Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat hebben wij het hier goed!" — zeide de dominee, en ik moest er „Amen" op zeggen. „Wij zijn" — dus ging hij voort — „hier met Mozes op den berg; maar straks moeten wij den berg weder af. Wat staat ons te wachten? Wie weet of het geen krankbed zal zijn, ja, misschien wel een sterfbed! Maar wat nood voor u, die dien Jezus toebehoort! Voor 1 heeft de dood geen verschrikking; voor u is hij een bode des vredes en des heils, om u te verlossen uit het land uwer vreemdelingschap en over te brengen in dat Vaderhuis, waar vele woningen zijn."

Hoe onuitsprekelijk heerlijk is het toch, wanneer wij ondervinden, weten en gevoelen, dat de eeuwige vrijmacht Gods over den verloren zondaar gedachten des vredes heeft gehad; en dat niet om onze waardigheid, neen! Maar vijanden zijnde, kunnen wij met Hem verzoend worden door den kruis- en zoendood van Zijnen lieven Zoon, — dat albetalend borgbloed, waarin de beladen en belaste zondaar rust en vrede vinden kan, hier en eeuwig. Ja, in de volste overtuiging roept hij uit:

Niets, o, Jezus! dan Dw bloed, Geeft voldoening aan 't gemoed.

Ik ben vergenoegd in hetgeen ik heb, en ik behoef op mijne verdere levensreize niets meer dan het hoognoodige. De overvloed zou soms lastig en schadelijk zijn op den weg naar de eeuwigheid. Alleen de liefde van Christus wone rijkelijk in u en mij! Moge zij onze gezellin en leidsvrouw zijn!

Maar o! hoeveel ontbreekt er dikwijls nog aan die liefde! Hoe vaak hebben wij ons voor God te schamen en te verootmoedigen! Maar toch, Gode zij dank! die liefde vergaat nimmermeer; zij blijft tot in eeuwigheid, en wij weten, als het volmaakte zal gekomen zijn, dan zullen wij ook volmaakt zijn in de liefde.

Ik heb eens ergens gelezen: „Gelijk men den appel aanzijn

Sluiten