Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zenlijkt: "Want één brood is het, zoo zijn wij velen één ligchaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn." (1 Cor. 10 17). Let wel op deze laatste woorden: dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn. Alle leden der gemeente namen deel aan het avondmaal; alzoo niet slechts de vrouwen, maar, indien (gelijk de kinderdoopers beweeTen) jonge kinderen leden van deze gemeente waren *), namen ook zij deel aan hetzelve; en onze broeders handelen niet consequent in de onthouding van het avondmaal aan een groot aantal van de leden hunner gemeenten. Hierdoor wordt immers de eenheid des ligchaams miskend, en een aanstootelijk verschil gemaakt tusschen de leden. Ook wordt hierdoor een onderscheid veronsteld tusschen doop en avondmaal, dat in de Schrift niet begrönd is; zij staan op gelijken voet, en zijn voor de zelfde personen bestemd: Komt den kinderen dus de doop toe, al kunnen zij ook niet in Christus gelooven, dan komt hun ook het avondmaal toe, al kunnen zij zich zeiven ook niet beproeven. Zoo moesten immers ook onder de Joden de kinderen, die besneden waren, van het Pascha eten; en het is eene onloochenbare daadzaak dat de kinderdoop en het kinderavondmaal in de derde eeuw na Christus tegelijk ontstaan zijn en gedurende tien eeuwen onafscheidelijk met elkander verbonden zijn geweest, gelijk ik later uit de kerkelijke geschiedenis bewijzen zal.

Bijna alle verdedigers des kinderdoops zoeken dit duidelijke bevel des Heeren te ontzenuwen door eene schijnbare zwarigheid. Zij beweren namelijk, dat wij de woorden des Heeren: "Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden," niet letterlijk kunnen opvatten; want dan zou men evenzeer besluiten moeten dat niemand zonder geloof kan zalig worden, en dat bij gevolg kinderen, die niet gelooven kunnen, allen verdoemd zullen worden.

Het smart mij, zulke uitvlugten te moeten beantwoorden. Ziet gij niet dat de Heere hier van de verkondiging des Evangeliums spreekt? Die hetzelve hoort en gelooft, wordt zalig; maar die het door ongeloof verwerpt, wordt verdoemd. Zuigelingen nu kunnen de blijde boodschap noch door het geloof aannemen, noch door ongeloof verwerpen. Dit heeft dus in het geheel geen toepassing op hen. Wat echter de zaligheid van kinderen betreft, zoo geloof ik, dat het bij God mogelijk is, om hen te be-

*) Dat dit niet het geval was, blijkt uit de verklaring des Apostels: "Want gij xijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jerus."

Sluiten