Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan zijn, en alsdan zal gansch Israël zalig worden; want deze belofte strekt zich uit tot "dien grooten en doorluchtigen dag des Heeren."

Maar gesteld er stond: Wapt u komt de doop toe, en uwen kinderen — zouden wij dan durven besluiten dat Petras hunne jonge kinderen, of zuigelingen bedoelde? Ik zelf heb kinderen, dien de doop toekomt, naar het bevel des Heeren, omdat zij, door Gods genade, "der Hemelsche roeping deelachtig zijn;" en dat het zulke kinderen zijn waarvan Petrus hier spreekt, blijkt uit de belofte in Joel 3: 28, alwaar zij "uwe zonen, en doch teren, en jongelingen," genoemd worden; en dit bewijzen ook de slotwoorden van dit vers: "Zoo velen als er de Heer onze God toe roepen zal." Dat bier van de krachtdadige roeping gesproken wordt, is zeker; die roe* ping, waarop een komen volgt. "Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen; en die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen." Deze roeping moet zich alzoo door een komen tot Christus openbaren; dat is, door eene geloovige omhelzing van Hem, als Heer en Zaligmaker; en dan, en dan alleen, komt hen de doop toe. Al stond er dus ook: Want u komt de doop toe en uwen kinderen, dan zijn het blijkbaar niet onze zuigelingen hoofd voor hoofd, maar onze kinderen en allen die daar verre zijn, 200 velen als er de Heer onze God toe roepen zal. En zulk een kinderdoop is overeenkomstig het bevel des Heeren.

Het naaste berigt aangaande den doop vind en wij in het 8ste hoofdstuk der Handelingen. Filippus, een van de zeven diakenen, kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. De blijde boodschap wordt door groote scharen aangenomen, en er wordt groote blijdschap in die stad. En dan lezen wij verder: "Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evan'gelie van het koningrijk Gods, en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen."

Het is opmerkelijk dat hier bijzonder de doop van vrouwen vermeld wordt. Wij zouden, wel is waar, geweten hebben uit het bevel des Heeren, dat geloovige vrouwen gedoopt moeten worden, zonder eene bepaalde melding dienaangaande; maar opdat hieraan niet de minste twijfel zou zijn, wordt hier uitdrukkelijk vermeld dat zij gedoopt werden. Dat dit niet toevallig, maar met opzet geschied is, is zeker; want er staat niet een woord te veel of te weinig in Gods boek. Is het nu niet onverklaarbaar (met de veronderstelling dat de kinderdoop uit God is) dat de Heilige Geest zoo zorgvuldig zou geweest zijn omtrent den doop van vrouwen, zonder een enkel woord er bij te voegen aangaande kinderen? En die

Sluiten