Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den geest— niet in de letter. Paulus wil de Colöesensen hier leeren, dat zij in Christus de ware besnijdenis des harten ontvangen hadden, waarvan de besnijdenis der voorhuid de schaduw was, en dat zij daarom door besneden te worden naar de wijze van Mozes, van het wezen tot de schaduw, (of tot de eerste beginselen der wereld) terug keerden.

Is nu de kinderdoop aan de besnijdenis naar de wijze van Mozes ontleend, en daarvoor in de plaats gekomen, dan is hij "naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus"; en bij gevolg hebben zich onze broeders laten verleiden door "beweegredenen die eenen schijn hebben," in weerwil van deze plegtige waarschuwing van den Apostel I Ach geliefde broeders, welk een spel heeft de Satan met u gedreven.

De Christelijke doop is niet de plaatsvervanger van de besnijdenis der voorhuid; maar de ware besnijdenis, waarvan Paulus spreekt in het elfde vers, is daarvoor in de plaats gekomen; de besnijdenis in den geest, is in de plaats gekomen van de letterlijke besnijdenis; het wezen, in plaats van de schaduw. Maar door den kinderdoop aan de besnijdenis der voorhuid te ontleenen, keert men van het wezen tot de schaduw terug!

"Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, alsof gij in de wereld» leefdet met inzettingen belast ingevoerd naar de geboden en leeringen der mensehen?"

Col. 2: 20.

"Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof souden geregtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan." Gal. 3: 24-27. De bewijsvoering van Paulus alhier heeft veel overeenkomst met de plaats in Col. 2 die wij juist behandeld hebben. In deze gemeenten hadden de valsche leeraars reeds meer ingang gevonden, die leerden: "Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden;" maar daar ik in de beschouwing van "het verbond der besnijdenis" hier op terug zal komen, is het niet noodig bij deze gelegenheid er verder over te handelen. Ik wil alleen doen opmerken, dat hier, zoo als elders, alleen van den doop der geloovigen gehandeld wordt; en het is blijkbaar dat in deze gemeenten de kinderdoop en kinderlidmaatschap geheel en al onbekend was. Immers hoe kon de Apostel gezegd hebben: "Gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus," indien kinderen, en on-

Sluiten