Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet oorbaar, en zou niet tot stichting dienen, indien ik hier vermelden zou wat de geschiedenis dienaangaande berigt *) van de zoogenaamde geestelijken(\) en maagden, waarvan Cipriaan getuigt dat de kerk gedurig moest klagen en weenen over de afschuwelijke buitensporigheden en zonden die aan het licht kwamen. Op eene andere plaats zegt hij van den stand van zaken in het algemeen: "De kerkelijke tucht bestond niet meer; pracht en weelderigheid namen de overhand, en in de kleeding werden onbetamelijkheid en praalzucht niet ontzien. De broe ders gingen huwelijken aan met ongeloovigen, en konden van zich verkrijgen om niet alleen zonder eerbied, maar zelfs tegen de waarheid te zweeren. Met trotschheid zagen zij op de opzieners hunner kerken neder. Maar ook de bisschoppen verzuimden hunne ambtsplichten en bemoeiden zich met wereldsohe zaken; zij lieten hunne kudden varen, en gingen verre reizen doen om vermaak of winst te zoeken; zij ondersteunden de behoeftigen onder de broeders niet, maar waren onverzadelijk in hnnne geldgierigheid." Alle geschiedschrijvers getuigen dat zich deze eeuw kenmerkte

door eene treurige verbastering der kerk in leer en zeden, vooral in Afrika, waar de kinderdoop ontstond, maar mijn bestek gedoogt niet om hierop verder in te gaan; zie echter hiervan vooral Mosheim 3de eeuw, 2de deel, cap. 2, van de 3de tot de 6de paragraaf.

Het is daarom geenszins bevreemdend dat onder deze omstandigheden de kinderdoop ontstond en opname vond; vooral toen men de wedergeboorte met den doop verward had, en men de woorden des Heeren: "Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koningrijk Gods niet ingaan" op den doop toepaste, eo. daaruit afleidde dat niemand zonder denzelven kon zalig worden — zoo was het niet te verwonderen dat men daardoor als door een toovermiddel zelfs kleine kinderen in veiligheid zocht te brengen.

En op gelijke wijze misduidde men de woorden des Heeren: "Tenzij dat gij het vleesch des Zoons des menschen eet en Ziju bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelven," en bewees daardoor de noodzakelijkheid des avondmaals ten eeuwigen leven! En men bediende het daarom ook aan de kedoopte kinderen. Dit mag den lezer bijna ongeloofelijk schijnen, maar het is eene daadzaak, die niet geloochend kan worden, hoewel men dezelve onder de korenmaat heeft zoeken te houden, opdat de kinderdoop daardoor niet zou lijden.

*) Zie Üü^ejmXE^erk, Gench. ade eeuw, 2da deel, Cap. 2 § 6.

Sluiten