Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen en aanbevolen. W$ zien dan bier weder eene door de Grondw. gewaarborgde: vrijheid van uitoefening van Godsdienst overeenkomstig onze godsdienstige begrippen , als beginsel én regel aangenomen. Maar het tweede gedeelte van dit art. wil, dat de Koning tevens zorge, dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen vark gehoorzaamheid aan de wetten) -van den Staat. (II veille de même è oe que tous les cultes se contiennent dans Vobèissance qu'ils doivent aux lois de TEtat.) Ziedaar de e'énige beperking aan de grondwettige vrijheid van Godsdienstoefening, die zich in dé kerken en gebouwen besloten houdt, gesteld; eene beperking:zeker allernoodzakelijkst , opdat de Staat niet ten eenen male aan de losbandigheid in het godsdienstige worde prijs gegeven. Op dien grond is het dan ook, dat de Koning zou mogen weren (16) de godsdienstige gezindheden bijv. der Sint-Simonisten, die de gemeenschap van vrouwen en goederen prediken; der Jezuïten, die den eed, aan Ketters gedaan, voor niet verbindende houden; der oude Wederdoopers, die de heerschappijen verachten; der Mohammedanen, die de veelwijverij willen, enz. enz. Maar dit zoo zijnde, dan valt daarentegen alle reeds bestaande of nieuw opkomende godsdienstige gezindheid, die zich binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten des Staats houdt/ in de door de Grondw. gewaar, borgde vrijheid van Godsdienstoefening, waarvan de zorg ter handhaving aan den Koning tot een plicht is opgedragen.

Het is er dus, naar ons inzien, niet alleen verre van af, dat een zoogenaamd recht van toelating of erkenning van nieuwe Kerkgenootschappen bij de Grondw. uitdruk-

(16) Zou men niet kunnen zeggen, dat de schrijver hier het regt van toelating, vroeger bestreden, schijnt toe te geven, al is het negative ?

Sluiten