Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereenigen, het recht hebben zich van de Herv. Kerk af te scheiden en in een nieuw Kerkgenootschap te vereenigen, zonder daartoe het verlof des Konings noodig te hebben. Dè e'e'nige bedenking hiertegen, genomen uit art. 291 en volgg. van het nog van kracht zijnde Fransche Strafwet-, boek, hetwelk alle associatién van meer dan twintig personen, ook ter zake der Godsdienst, zonder een voorloopig verlof van het Gouvernement, verbiedt, vervalt bij de opmerking, dat het ongerijmd is dit Fransche Wetboek aan onze later gemaakte Grondwet te doen derogeren, vooral ten opzichte dier rechten en vrijheden, welke deze ons waarborgt (19). Terecht leert Royaabds, bl. 221, 225, dat alleen uit de Grondw. kan worden opgemaakt, welk stelsel van Slaatskerkrecht hier, in ons Land, heerschende is, en dat dus de Grondw. de bron is, waaruil alles wordt afgeleid en waaraan het Kerkrecht alles behoort te toetsen.

Maar eenigzins bedenkelijker is de vraag, of men zich van het thands bestaande Herv. Kerkgenootschap, welks vorm en inrichting door een eenvoudig ,en oppermachtig Besluit des Konings van <j Januarij 1816 is geregeld geworden, mag afscheiden, niet zoo zeer om de Godsdienstleer, maar voornamelijk ofeenig en alleen om dier inrichting wil, met welke men zich in gemoede niet vereenigen kan, en of men zich dien ten gevolge in een nieuw Kerkgenootschap met eene eigendunkelijke inrichting en vorm, onafhankelijk van 's Konings toestemming, vereenigen mag? De twijfel rijst uit de omstandigheid, dat de Koning zelf die inrichting van het Herv. Kerkgenootschap heeft daargesteld en door een oppermachtig besluit aan de toen bestaande Herv. Kerk opgelegd, zoor dat het dus een verzet schijnt tegen eene Staatswet, wan-

(19) Het is de vraag, of dat art. 391, Cod.pénal, niet de Grondwet werkelijk strijdig is.

Sluiten