Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer men zich aan de onderworpenheid dier inrichting en aan het gezag van dat besluit onttrekt. Dan alle twijfel hoegenaamd verdwijnt bij de opmerking, dat genoemd Besluit bij art. 2 zich slechts bepaalt tot de leden van dat Kerkgenootschap zeiven en uitdrukkelijk het recht van afscheiding aan een iegelijk toekent. Voor de afgescheidenen is dus in alle geval dat Besluit geen Staatswet meer: en zij genieten mitsdien de volle vrijheid hun bij de Grondw. verzekerd, om zich in nieuwe Kerkgenootschappen te vormen en derzelver bestuur naar eigen goedvinden daar te stellen, mits altijd binnen de palen der gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat (20).

Schrijver dezes is geen Separatist en meent op godsdienstige gronden de tegenwoordige afscheidingen in onze Herv. Kerk, ofschoon daartoe het gedrag onzer tegenwoordige Kerkbestuurders aanleiding gegeven heeft, geenszins te moeten voorstaan en bevorderen. Evenwel als Regtsgeleerde meent hij de godsdienstige vrijheid ten dezen te mogen en te moeten verdedigen.

(30) De schrijver vergunne ons, bij de door hem hier ter neder gestelde slotsom van zijn onderzoek kortelijk bok te vermelden, waartoe ons het onderzoek, omtrent dit onderwerp ingesteld, geleid heeft. Het komt hierop neder: Elk heeft regt om zich site scheiden; maar bij de oprigting van nieuwe Kerkgenootschappen heeft de Staat een regt van -onderzoek, of hetzelve tegen openbare orde, rust en goede zeden strijdt. Naarmate van de uitkomst van dat onderzoek, verleent of weigert de Staat de toelating derzelve ; doch waar gebleken is, dat een zoodanig Genootschap niet strijdt tegen openbare orde, rnst en goede zeden, daar verleent de Staat toelating en bescherming, en wel gelijke bescherming, als anderen genieten.

Sluiten