Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alleen diegene, welke waarlijk reeds ingeleid was in de kennis der ellende door de wet, zoodat deze niet meer — gelijk een godgeleerde het uitdrukt — een geschilderde leeuw is, die tot nieuwsgierigheid prikkelt, maar een brullende leeuw, die op u aankomt, zoodat er geen ontkomen schijnt, alleen diegene, welke zoo door de wet opgeschrikt, den oorsprong zijner ellende in zijn geheele wezen, ja tot in Adam toe peilde, zal begrijpen, dat er thans nog sprake komt van de onmogelijkheid om haar te ontkomen. Menigeen, die nooit waarlijk aan zichzelven ontdekt werd, geeft dit, o, zoo spoedig toe en heeft er soms den mond vol van. Wie kent niet dat lichtvaardig spreken over eigen schuld : //Ik heb de hel verdiend" en wederom: ,/De Heere is rechtvaardig als Hij mij voor eeuwig verdoemt" ? Maar wie zoo spreekt, gevoelt daarom de vurigheid der wet niet, en kent daarom den giftboom niet, waaruit in het Paradijs reeds, en daarna door heel zijn ziel en lichaam het venijn gist, bedwelmt en doodt. Vandaar dat hij den angstkreet nog niet oprecht leerde slaken: „Is er geen ontkomen aan?" Het is wat anders uit de verte een in gloed staand huis te zien afbranden, en wat anders, in dat huis, rook en vlammen op u ziende afkomen, te roepen om lucht en leven. Welnu, juist zulk een opgeschrikte, //verdrukte, door onweder v o o r t g e d r e v e n e, ongetrooste" ziel (Jes. 54: 11) wordt hier verondersteld.

En nu, wat is haar eerste kreet? Doet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in zijne wet van hem eischt, wat hij niet doen kan ? Vreemd! Dat hadt ge niet verwacht ! En toch wordt hier opnieuw bevestigd, wal ook voor u, gemeente, geldt: Pr. 7 : 29: //Al 1 e e n 1 ij k, ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht." Was dit toch niet de zonde van onzen eersten vader Adam, dat hij na zijn val niet alleen vijgebladeren zocht om zich te bedekken, maar ook met woorden zich bemantelde : //Ik verborg mij, want ik was naakt," en: „de vrouw, die G ij mij gegeven hebt," zijdelings de schuld zijner zonde op God werpende? De gansche Schrift door komt die neiging telkens opborrelen uit onze zondige natuur (Rom. 9 : 20).

„De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden," was het bekende spreekwoord, waar-

Sluiten