Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede Israël Gode onrecht wilde toeschrijven. Merkwaardig, juist dat beroep op Gods recht! Blijkt ook hieruit niet, hoe in ons hart is: //Gij zult als God zijn"? Jammer maar, dat die zuivere kennis van wat recht is, inzooverre ze ons in Adam geschonken was, verloren ging. Het zou even dwaas zijn, wanneer iemand uwer met een beroep op zijn horloge, dat achteruitging, eene aanklacht inbracht tegen den juisten gang van de zon, als wanneer eenig mensch uit het beneveld licht van zijne rechtskennis grond wilde maken, om Gode zijn recht te .betwisten. En toch, hoe menigmaal is er een lichtvaardig beoordeelen van Gods leiding in ons leven, Gods bestuur in de natuur, Gods bewerking van ons geestelijk bestaan, zoodat wij, in plaats van onszei ven te verfoeien en God te aanbidden, öf onverschillig berusten in hetgeen geschiedt, öf boos ons stellen, zooal niet openlijk tegen God zelf, dan in gedachten of met woorden, tegen de personen of dingen, welke de Heere ons toezendt. Nochtans de onderwijzer had de 9e vraag slechts gedaan, opdat in het antwoord van den vromen leerling Gods recht des te heerlijker zou doorblinken. Schijnbaar was de bedenking ook niet zoo onbillijk. Is het geen onrecht, dat God in zijne wet van den mensch eischt, wat hij niet doen kan ? God de Heere is immers geen afgod, die willekeurig regeert on onbillijk oordeelt ? Neen, maar de mensch moet opnieuw teruggeleid worden naar zijn verleden, naar het Paradijs. Als ge een bedelaar aan uwe deur zaagt kloppen, in lompen en vermagerd, de eerste indruk zou misschien zijn, //Hoe wordt die mensch. beproefd! Wat moet hij ontberen! Wat is het onrechtvaardig, dat hij zoo lijden moet!" Maar als een ander u dan eens kwam vertellen, dat hij een dienaar is geweest van een rijken heer, die hem groot vertrouwen had geschonken en van al het noodige had voorzien, en hij kennelijk tegen dien meester had saamgespannen, om nog meer te hebben dan hem vergund was, en nu tengevolge van snoode ondankbaarheid dit hem overkwam, dan zoudt gij medelijden kunnen hebben, maar toch in toorn kunnen uitroepen: //Dat overkomt u met recht!" In het antwoord wordt intusschen nog een andere weerlegging gegeven van het bezwaar, dat God in zijne wet van den mensch eischt, hetgeen hij niet doen kan. — „God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat konde doen/' —

Sluiten