Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en kastijding, om uwe hoovaardij te bedwingen, u aan de sterfelijkheid te herinneren, het geloof te oefenen, Christus gelijkvormig te maken, ernstiger te'leeren bidden, de leer der waarheid te doen belijden, van de wereld af te trekken en naar den hemel te doen verlangen. //Hij kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebr. 12). Nochtans ook aan den vroomste van Gods kinderen kleeft schuld; want is het hem soms niet, alsof hij straf gevoelt en alsof hij Gods genade mist? En daarom is het ook voor den geloovige goed, zich in te denken, welke straf hij verdiende, opdat hij te meer tot Christus' bloed gedreven worde, om daarin reiniging te ervaren. Zoolang men, juist door de gerechtigheid Gods getroffen, geen ruste vond in Hem, die de eeuwige straffen gedragen en het recht Gods vervuld heeft, dreigt nog een ander gevaar. Het wordt vertolkt jn vraag 11: „Is dan God ook niet barmhartig?" Er zijn twee strikken, waarin de Satan den mensch tracht te vangen. Denkt aan Adam. Eerst wordt God voorgesteld als te gestreng en onbarmhartig; later, wanneer hij hem daardoor tot hoovaardij dreef, komt de vleitaal: //Gij zult den dood niet sterven." Bij den gevallen mensch handelt hij gewoonlijk omgekeerd. Eerst zoekt de Satan hem in slaap te sussen met een beroep op Gods barmhartigheid, en dan, als God werkte, tracht hij hem te verschrikken, met het bezwaar: //Gij zijt een te groot zondaar, dan dat een rechtvaardig God u zou behouden." Hier wordt de eerste bedenking aangevoerd, opdat de geloovige op die- list met het geestelijk zwaard kunne antwoorden: „God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig." Prediker III zegt: //Er is een tijd om te dooden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen, een tijd om te weenen en een tijd om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen." Welnu, geliefden, in den Catechismus is het nu de tijd om te dooden, af te breken, te weenen, te kermen. Indien God ons geeft te kermen, zal het eens komen tot genezen, opbouwen, lachen en huppelen! o, Dat wij de les verstonden niet met looze kalk te pleisteren en de zielen niet op de bloembedden te jagen, waar zij nooit worden ontbloot en wakker geschud! Zoo antwoordt ook thans de leerling: „Gods gerechtigheid eischt, dat de zonde, tegen de allerhoogste

Sluiten