Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taak, allereerst door God ons aangewezen, menigen arbeider en arbeidster op het gebied der Zending tot twijfelachtig nut voor hare omgeving, ja voor de maatschappij maakt. En helaas! dat straks zal moeten worden beleden, hoe bepaaldelijk op ons Predikanten dit karakter der Binnenlandsche Zending bedervend werkt.

Vergete men echter niet, dat ook in dit opzicht de baanbreker der „Inwendige Zending" in ons land voor die eenzijdigheid en hare gevolgen een open oog had. „Het zegt zoo weinig" verklaarde Steenbeeks Stichter in de Magdalena van 1855 (p. 142) , „een Metray, of Montfoort, of Steenbeek voor verwaarloosden of gevallenen op te rigten, wanneer niet in het hart het kloeke besluit woont de verwaarloozing en den- val te stuiten, waar ook. Gij dringt op dezen weg door tot de diepte van het kwaad, zoo namelijk het middel geen doel wordt, maar gij het kwaad zelf aantast in het harte. Het moet uitgesproken worden dat er een weg behoort behandeld te worden, waardoor de strijd wordt gebracht tegen het volle leger van den vijand. Want wij doen weinig als wij slechts hospitalen oprichten voor de arme verslagenen, die in hun bloed liggen en om redding smeeken, als wij, dit doende, niet tevens den vijand openlijk en in het aangezicht bestrijden,. Deze roeping is onze eigenlijke roeping. Deze weg behoort de kerk, de philantropie en de staat in te slaan."

Heldring zelf heeft inderdaad dien weg ingeslagen en men behoeft slechts vluchtig zijn „Leven en Arbeid" van de hand zijns zoons in te zien, vooral Hoofdstuk YII—IX, om te bespeuren, hoezeer hij zelfs door bevordering van kolonisatie en emigratie, droogmaking en landontginning den strijd tegen de wortelen der ellende aangordde, in zooverre daarvan zelfs in nationale zonden en verzuimen de oorzaken lagen.

Intusschen bleef de tegenwoordige Binnenlandsche Zending niet in het spoor door Heldring aangewezen en al mag dit ten deele het gevolg zijn van oorzaken hierboven genoemd, ten deele ligt ook hier de oorzaak in het niet-officieel karakter, dat de Binnenlandsche Zending vertoont wegens hare scheiding van de kerk, waardoor zij daar niet kan binnentreden, waar het geordende ambt of de overheidspersonen recht hebben, zelfs verwacht worden.

Ik laat hier buiten rekening de treffende voorbeelden van groote fabrikanten of rijke grondeigenaars, die, als Christenen, met vrouw of dochter, niet uit bemoeizucht, maar uit barmhartigheid en tevens met eenigszins zedelijk recht, ja, plicht de nooden en ellenden hun-

Sluiten