Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ramp zouden achten, indien reeds vóór de wederkomst van Christus, alle belijdenissen verdwenen, allé kerkverband ophield, ja elke plaatselijke kerk haar historisch en dogmatisch karakter verloor. Hetzelfde verschijnsel deed zich in de dagen van het Réveil voor: men was zoo blijde van een plicht-Christen een arm zondaar geworden te zijn, in plaats van den kouden trias: „God, deugd en onsterfelijkheid" de zalige beteekenis van Vader, Zoon en Heilige Geest in eigen hart te hebben ervaren; ja aan de voeten van Jezus, als den Zaligmaker, mannen en vrouwen en kinderen uit allerlei vol ken, standen, ja „kerkgenootschappen" geknield te zien en aan Jood en Heiden, ja den armste, diepst verlorene en verst afgedwaalde dien Eenigen Naam te mogen verkondigen; de gemeenschap der Heiligen, die men zóó levendig smaakte, deed zoo gemakkelijk eiken anderen band ontberen; het kruis van Golgotha verzoende zoo heerlijk met elk ander kruis, dat op allerlei gebied werd opgelegd, dat de meesten waarlijk niet inzagen, waarom het specifiek kerkelijke nog noodig was, veel minder dat de onkerkelijke richting gevaren met zich bracht. Men vergete daarenboven niet, dat de kerkelijke toestand in die dagen hemelsbreed verschilde van den onzen. Wie durfde zich toen denken, dat in de groote steden allengs de orthodoxie de meerderheid niet slechts in den kerkeraad, maar zelfs onder de Predikanten zoude verkrijgen, en daarom men achtte het krachtsverspilling en ongerijmdheid bijzonder het kerkherstel in gebed en bespreking te brengen. Daarenboven kunnen wij, jongeren, moeielijk ons voorstellen, dan uit de beschrijving in brieven van Da Costa, Wormser enz. of uit mededeelingen der overlevenden uit die dagen, welke strijd en spot en kleingeestige minachting er ook in kerkelijke kringen was tegenover degenen, die den naam van Jezus, als het vleesch geworden Woord, God zelf te prijzen tot in alle eeuwigheid, dorsten belijden.

Er waren intusschen toch enkelen, die dieper en verder zagen, die begrepen, dat een tent, hoe aangenaam en voldoende tot woning in den liefelijken zomer of zelfs op het slagveld, op den duur toch voor een huis moet plaats maken, en dat, hoezeer de ziel ook het onsterfelijke en voornaamste is in den mensch, er toch een lichaam met spiereu en zenuwen noodig is, opdat elke ziel, naar zijnen aard, in deze bedeeling, God verheerlijke; dezelfde mannen, beurtelings weder door het meerendeel der Réveil-mannen met allerlei min liefelijke namehm hunne bedoelingen miskend, begrepen eindelijkuitnemend, dat, zoolang men nog hier op aarde en nog niet in den

Sluiten