Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

warring met het kerkelijk ambt zou hebben gevoerd. Calvijn onderscheidde op grond der Schrift, zelfs twee soorten van diakenen: sommigen, tot het verzamelen en uitdeelen der aalmoezen aangesteld; anderen, die zich aan het verplegen van armen en kranken wijden. (Institutio IV: 3 § 9.) — De Gereformeerde kerken nu behielden dat ambt van diakenen en aan deze praktijk der barmhartigheid, kerkelijk geordend mogen wellicht voor een deel de zegen en invloed ook der gereformeerde belijdenis worden toegekend. — Belangrijk zou het zelfs zijn eens uit onze kerkelijke archieven na te gaan, welke de werkzaamheid der diaconie in den tijd van den bloei der kerk geweest is. Wat mij zelf ten minste reeds uit het Arnhemsche archief bleek, doet verbaasd staan over de veelzijdige, ja, men zou zeggen, naijverige wijze, waarop de diakonie alles verzorgde wat eenigszins noodlijdend was, zelfs de Roomsche weduwen en weezen, toen deze een eigen kerk misten.

Reeds tijdens den bloei, maar vooral bij het verval der Gereformeerde kerken slopen twee kwalen in, die ontbindend op de diakonieën werkten. — Vooreerst het ambt ontwikkelde zich niet genoegzaam. Had Calvijn reeds de wenschelijkheid der splitsing van het diakonaat naar de grondlijnen der Schrift betoogd, in de praktijk kwam het daartoe weinig. Wèl ontstond naast het ambt der diakenen dat van diakonessen ook ter armenverzorging verkozen, en Dr. Merens heeft hare geschiedenis behandeld in Schafers Monatschrift für innere Mission, Februari 1881 („Zur Geschichte der weiblichen Diakonie in den Niederlanden"). De vraag blijft echter, in hoeverre juist dit ambt grond in de Schrift vindt; en bovendien was Amsterdam wellicht de eenige plaats, alwaar het bloeide. Overal elders bepaalden de diakenen zich voornamelijk tot verzorging van armen, weduwen, weezen, vreemdelingen en ellendigen; maar reeds deze arbeid was zoo veelzijdig, dat allicht veel in gebreke bleef, omdat geen oefenschool voor het ambt, geen splitsing der diakonie in verschillende takken ontstond. Grooter euvel was intusschen het allengs verkwijnend geestelijk karakter van het ambt. Hiermede wordt niet bedoeld, gelijk hierboven reeds werd opgemerkt, dat de diakenen altijd tegelijk een soort Evangelisten moeten zijn; ') integendeel hoofddoel naar de Schrift en onze formulieren is verzorging van het lichamelijke, tijdelijke, stoffelijke. Niettemin moesten ook daarvoor

1) Voetius merkt terecht op, dat alleen, zoover ons hekend is, Philippus naast het ambt van Diaken nog dat van Evangelist-vervulde.

Sluiten