Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brak over haar als valsche kerk naar 't Woord van God den staf. Haar roepstem luidde: „scheidt van haar, die kerk is gansch

ontaard,

En voegt u bij des Heeren kerk, waar God ze openbaart." Geen nieuw genootschap wil zij zijn, maar in ons vaderland De voortgezette kerke Gods, weleer door Hem geplant. Wel is zjj bij den Staat erkend, dat heeft haar niet geschaad; Het was een kennisgeving slechts dat zij als Kerk bestaat. Nu zocht men wel vereeniging met de afgescheiden kerk, Maar om het niet gering verschil bleef 't nog een hoop'loos werk. Het eigen standpunt was en bleef het struikelblok, de strijd. De Doleantie eischte het recht der continuïteit. Waar reeds een kerk van ons bestaat, moest nog een kerk gesticht. Al was men een, zoo meende zij, bleef dit toch nog haar plicht. Het Reglement, waarop we als Kerk erkend zijn bij den Staat, Moest weg, daar het de kerken Gods in hare rechten schaadt. Dus kwam de eenheid niet tot stand, zij werd op eens gestoord. Men bleef gescheiden van elkaar, 't-gebed nog onverhoord.

Synodale besluiten, afvaardiging naar de voorloopige Synode te 's Hage.

Een drietal jaren vloden heen. Toen kwamen andermaal De kerken in synode saam. Een gunstiger onthaal. Vindt nu de zaak. Het blijkt dat God de geesten heeft geleid. Nu vallen de bezwaren weg, het één zijn wordt een feit. I De Doleantie had het eerst een voorslag ons gedaan;

Maar toen men naar 't gemaakt concept niet wel kon samengaan, Verlangde zij dat onze kerk een voorstel bieden zou, En deze nam dat gaarne aan der goede zaak getrouw. Zoo kwam men saam; men toog aan 't werk, doordrongen van

't gewicht,

Sluiten