Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

een groot heil hen wacht. "Wekt dit aan den éénen kant hun verlangen te meer op, aan de andere zijde moet het hen verheugen, dat God hun deze zaligheid bereid heeft, en dat Hij hun verlangen naar dit heil zekerlijk zal vervullen. Vleesch en bloed toch openbaart, verlangt, bemint deze' zaligheid niet; dat kan alleen de Vader in de Hemelen geven.

Hoe komt het, dat dit heimwee niet veel gevonden wordtP De wereld kent het niet, en de ongeloovige geest dezer Eeuw, die de eeuwigheid loochent, of althans wil, dat de menschen geheel zullen leven, alsof zij er niet was, verfoeit vooral zulk een verlangen. Alleen zij, die vreemdelingen op aarde geworden zijn, de medeburgers der heiligen, de huisgënooten Gods, kunnen naar den Hemel verlangen. Zij zullen dit ook, het is een uitvloeisel van hunne wedergeboorte. Maar hoe is deze geestelijke gesteldheid zoo zeldzaam en flauw ook bij hen? Twee groote hinderpalen staan in den weg: de wereldsgezindheid en het ongeloof. Ach! de wereldsche begeerlijkheden hebben zooveel invloed, en nemen het hart zoo vaak in. Daardoor is er helaas!'zooveel wereldsche zorg en droefheid, of wereldsche afleiding en wereldsch vermaak. Hoe zou nu het verlangen naar den Hemel kunnen bloeien, wanneer de tegenwoordige wereld het hart ver vult P

Niet minder is het ongeloof een beletsel van den bloei en de opgewektheid des verlangens naar den Hemel. Het ongeloof in alle zijne menigvuldige vormen, zooals het zelfs in den geloovige zich vertoont. Altijd toch veroorzaakt het, niet minder dan de wereld, een stremming in de gemeenschap met den volzaligen God. o Laten wij toch opmerken, hoeveel wij door ons toegeven aan deze vijanden, die meestal samenwerken, moeten missen van hetgeen, door des Heeren genade, ons leven geworden is. Wat kan ons meer sterken, onder de verdrukkingen des tegenwoordigen levens, dan de troostvolle verwachting van bet toekomende?

Sluiten