Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordelijkheid of in vereeniging met dezulken, die waarlijk op de zijde des Heeren staan, het kostbare zaad naar alle richtingen uitstrooien, zonder zich met hen te verbinden, die door hun gansche gedrag bewijzen, dat zij van de wereld zijn. En dit kan men van alle godsdienstige werkzaamheden zeggen. Het doel kan en moet altijd langs den goddelijken weg bereikt worden.

Misschien zal men ons te gemoet voeren, dat ons geboden wordt, niet te oordeelen; dat men niet in het hart kan zien; dat men verplicht is allen, die zich met zulke goede werken, als de verspreiding van den Bijbel en van traktaten, de ondersteuning van zendinggenootschappen, enz., bezighouden, als Christenen te beschouwen, en dat men daarom onrecht doet, zich niet men hen te vereenigen.

Hierop antwoorden wij, dat er in het Nieuwe Testament bijna geen tekst gevonden wordt, die zoo verkeerd verstaan en toegepast wordt, als de woorden in Matth. VII: 1: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt." Want wij lezen in hetzelfde hoofdstuk: „Wacht u van de valsche profeten .... aan hunne vruchten zult gij ze kennen." — Hoe zouden wij ons echter kunnen „wachten," als wij niet oordeelden? Zoo lezen wij in 1 Kor. V: „Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen ? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? Maar die buiten zijn, oordeelt God. En doet gij den booze uit ulieden weg." Hier wordt ons dus bepaald geleerd, dat zij die „binnen" zijn, onder het onmiddellijk oordeel der Gemeente staan; en toch zouden wij, naar de gewone uitlegging van de woorden: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt," niemand mogen oordeelen; bijgevolg moet deze verklaring onjuist zijn. Maar wat bedoelt de Heer dan, als Hij zegt: „Oordeelt niet?" Hetzelfde als wat Paulus bedoelt, wanneer hij zegt: „Zoo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, welke ook in het licht zal brengen

Sluiten