Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren zal de raadslagen der harten, en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God." (1 Kor. IV : 5.) Wij moeten niet de drijfveeren, maar den wandel en de beginselen oordeelen van hen, die „binnen" zijn. En juist die personen, die zeggen: „Wij moeten niet oordeelen," oordeelen gedurig. Ieder Waar Christen wordt door het gevoel der goddelijke natuur, welke hij deelachtig is, gedrongen over het karakter, den wandel en de leer te oordeelen van hen, die „binnen" zijn.

Moge de christelijke lezer het daarom diep in zijn hart prenten, dat hij oordeelen moet over hen, met wie hij op godsdienstig gebied een ongelijk juk heeft aangetrokken Bevindt hij zich op dit oogenblik in één juk met een ongeloovige , zoo overtreedt hij de bepaalde voorschriften des Heiligen Geestes. Heeft hij zich uit onwetendheid in dezen strik begeven, dan is de genade des Heeren bereid, te vergeven en te herstellen; doch indien hij, na gewaarschuwd te zijn, uit ongehoorzaamheid daarin voortgaat, kan hij onmogelijk den zegen en de gemeenschap van God verwachten, hoe gewichtig het doel ook zijn moge, naar welks bereiking hij streeft. „Gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen." (1 Sam. XV :22.)

4. Wij moeten in de vierde plaats stilstaan bij het ongelijke juk der algemeene menschlievendheid.

Velen zullen zeggen: „Wij zijn het er geheel mede eens, dat wij ons in de eeredienst of de godsdienstoefeningen niet met ongeloovigen mogen vermengen; maar wanneer er sprake is van de bevordering van menschlievende pogingen — zooals, b. v., bet spijzigen van hongerigen, het kleeden van naakten, het oprichten van gestichten voor blinden en doofstommen, het bouwen van gasthuizen, van wees- en reddingshuizen, of met één woord van de bevordering van zulke dingen, die een

Sluiten