Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de overheid er zich niet tegen verzette, met kracht op en diende zij bovendien niet zelden een aanklacht in bij den rechter, die de plakkaten, welke tegen dergelijk kwaad uitgevaardigd waren, moest handhaven. En viel iemand van de Gereformeerde kerk af, door weer te vervallen tot „paepsche superstitiën" of over te gaan tot de „groulijcke huijpe der Wederdoperen" en hunne „heylose vergadringe", dan werd zonder eenige conniventie de excommunicatie plechtig in het midden der gemeente over hem uitgesproken.

* * *

Van de lidmaten der gemeente werd verwacht, dat zij zich getrouwelijk zouden begeven onder het gehoor van Gods Woord en tot het gebruik der heilige sacramenten.

Gelegenheid om ter kerke te gaan, was er overvloedig, vooral in de steden, en over 't algemeen werd er zeer druk gebruik van gemaakt. Het morgengebed en het avondgebed in de steden, zoowel des Zondags als op enkele dagen in de week, lokte altijd hoorders. De voormiddagdienst des Zondags was meestal overvol en de namiddagdienst, waarin de Heidelbergsche catechismus behandeld werd, dikwijls niet minder. In de dorpen, waar één predikant den geheelen dienst moest vervullen, werd natuurlijk heel wat minder gepreekt. Maar tot het tweemaal preeken op een Zondag was hij toch verplicht. Al vroeg had de kerk daarop bij hare dienaren aangedrongen en heel de zeventiende eeuw door werd door verschillende synoden herhaaldelijk op deze verplichting gewezen. Tot zelfs m het laatste kwartaal der eeuw waren er echter predikanten, die het nalieten, hetzij uit traagheid, hetzij uit gebrek aan belangstelling der gemeente. Zoo klaagde bijv. Ds. J. H. Jungius te Middelbert in 1679, „datter 's achtermiddaegs niemant ter kercken gaan" en in 1690 verzekerde zijn zoon en opvolger Sixtus Jungius nog, „dat [hij] s naemiddags geen toehoorders kreeg". Ergerlijk was echter, wat

Sluiten