is toegevoegd aan je favorieten.

Het kerkelijk leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor één derde uit regeeringspersonen, voor één derde uit geleerden en voor één derde uit gewone burgers bestond. Het getal der ouderlingen was niet voorgeschreven, maar hing af van de grootte der gemeente en soms ook van de mogelijkheid om geschikte personen te vinden. Uit dit laatste is het te verklaren, dat er, zelfs tot ver in de tweede helft der zeventiende eeuw in Gelderland en Utrecht, nog gemeenten waren, waar men geen ouderlingen had.

Het ambt van ouderling stond steeds in hooge eere en daaruit, alsmede uit den aard en de veelheid van werk zaamheden, die de ouderlingen te vervullen hadden, is het te verklaren, dat zij meestal werden gekozen uit de aanzienlijkste leden der gemeente, waarover veel werd geklaagd, vooral als men minder lette op vroomheid en bekwaamheid, wat toch eigenlijk op den voorgrond behoorde te staan. Het gewicht van dit ambt bleek ook hieruit, dat zij plechtig in het midden der gemeente werden bevestigd. Het formulier, dat voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen tegelijk dienst deed en in 1586 vervaardigd is, stelde de beteekenis dezer beide ambten in het licht. Nadat de daarin voorkomende vragen gedaan en beantwoord waren en de zegen over hen was uitgesproken, werden zij nog eens ernstig vermaand om „neerstigh in de regeeringe der Kercke" te zijn, om trouw te wezen „als wachters over 't Huys ende de Stadt Gods en om toe te zien „op de onderhoudinge van de suyverheyt der Leere, ende vromigheyt des levens in de Gemeynte des Heeren .

Het ambt der diakenen was, de aalmoezen te verzamelen en uit te deelen ten behoeve der armen, zoowel ingezeten als vreemden. Van hunne administratie moesten zij rekening doen aan den kerkeraad en desgewenscht ook aan de gemeente. Zij hadden toe te zien, dat de armen geen misbruik maakten van hetgeen hun toebedeeld werd, maar tevens moesten zij „oock met troostelicke redenen uyt den Woorde Godts den armen ende elendigen hulpe