Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgenomen. Waarom de spreker dit in het voorbijgaan, zonder dat het in het verband past, van de Joden herinnert, moet de oplettende lezer zelf maar opsporen.

Komt alzoo aan het Christendom geenszins de eer toe van het veelgodendom geknakt te hebben, het is zelf zeer spoedig volgens Dr. Büchner, door veelgodendom verbasterd en wel door de goddelijke vereering, die men Jezns, de Maagd Maria, den Heüigen Geest en de Heiligen bewees; ja, zelfs vinden wij den overouden, op de ruwste trappen van den kinderlnken leeftijd der volken te huis behoorenden Fetischdienst, in het Chnstendom terug, in de aanbidding van beelden, reliquiën en dergelijken. Reeds 325 jaren na Christus werd Christus voor de tweede persoon der Godheid verklaard. Weldra voegde het^concilie te Konstantinopel den Heiligen Geest als derde Godheid er bij. In den jongsten tijd maakte men uit den drieëemgen een viereenigen God, door er den onfeilbaren Paus aan toe te voegen. Rekent men er nu den duivel nog bij - 't is altijd Dr. Büchner, die ons tot gids in de Kerk- en Dogmengeschiedenis verstrektrekent men er nu den duivel nog bij, wiens voorgewend bestaan en gedeeltelijke aanbidding toch van oudsher een wezenlijk bestanddeel van den Christelijken godsdienst heeft uitgemaakt en zelfs heden nog uitmaakt, dan heeft men reeds vijf goden in de hand, en men vraagt, volgens den Spreker, te recht met het oog op het gezegde, waar dan onder zulke omstandigheden het Monotheisme des Christendoms blijft. Bevreemdend is hierbij echter, dat hij van de Maagd Maria niet spreekt, die hij nu waarlijk ook wel als zesde godheid had kunnen vermelden.

De herinnering van deze en nog andere bizonderheden wil Dr Büchner als inleiding tot de behandeüng van zijn eigenlijk onderwerp beschouwd hebben. Zijne hoorders loopen zeker geen gevaar van een te gunstig vooroordeel voor het Christendom op te vatten, gelijk zij ook niet door den Spreker in verzoeking worden gebracht, om voor het Theisme en voor het Godsbegrip

Sluiten