is toegevoegd aan uw favorieten.

De wortel des kwaads ligt, ook voor een betere wijze van bedeeling, hierin dat onze kerk als kerk den naam des Heeren Jezus Christus niet belijdt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stellen, in vraag te stellen of Hij al of niet «allereerst" zal gelden, is dus reeds zonde (').

Maar nu, er drukt op ons een verdooving, een algemeene daling des geestelijken levens waarin wij allen deelen; wij staan allen schuldig voor God, wij zoogoed als Gijlieden. Wat bedoelen wij met deze verdooving? Het overwicht van het bestaande boven Gods Woord: het conservatisme. Laat mij verklaren wat ik bedoel.

Dit conservatisme, de teruggang en afval van God en zijn Woord waarover reeds de N. T. geschriften klagen, is de eeuwenoude schuld der Gemeente waaraan wij allen deelhebben. Het is de vader van het individualisme, de zelfzuchtige vroomheid over welke wij (bl. 7) spraken Want de afval van God doet ons ook van elkander afvallen zoodat wij ieder op zich zelf gaan staan en »ons keeren een iegelijk naar eigen weg"; gelijk een beeld, van zijn voetstuk afgestooten, niet alleen zelf naar beneden valt maar ook in vele afzonderlijke stukken brijzelt. Bovenal in het hoogste en fijnste der van God geschapen organismen, de kerk, openbaart zich de ellende dier verbrokkeling. De diakonie, over welke wij meer bepaald spreken, staat evenmin op zichzelf als iedere andere werkzaamheid der kerk; ook zij leeft met het Geheel mede. Afzonderlijke hulpmiddelen aan te brengen buiten verband met het leven, d. i. de belijdenis van de kerk, baat evenmin als wanneer ik, krank en zwak nederliggende, de krachteloosheid van mijn arm zou willen verhelpen door dat lid afzonderlijk te verplegen.

Conservatisme, behoudzucht. Wij willen behouden, bijeenhouden wat wij bezitten. Waarom stellen wij deze behoudzucht in verband met de azelfzuchtige vroomheid"? Herinneren wij ons dat

(!) Evenzoo nam Eva's zonde (Gen. 3, 1—6) niet daarmede een aanvang, dat zij de vrucht aannam en at; maar daarmede, dat zij, toen de slang Gods Woord in twijfel stelde en vroeg: sis het wel waar, dat God gezegd heeft?" — dat z\j toen niet wegvluchtte of de slang beslist terugwees, maar den twijfel in zich opnam. De mensch toch is aan God verwant (Gen. 2, 7) Het geloof, het leven in God is de oorspronkelijke natuurlijke toestand van zjjn geheel geestelijk wezen als éénheid. Twijfelt nu de mensch, dan vraagt hij aan zijn verstand: „zal ik al of niet in God gelooven?" Dat is: hy stelt een ondergeschikt vermogen, het verstand, tot rechter, tot meerdere aan over en boven het geheel, de eenheid van zijn geestelijk wezen. Dus hij verstoort de van God gestelde orde van zijn wezen; hjj zondigt tegen God en tegen zichzelf. Dit alles is bij dieper nadenken zoo klaar als de dag; maar door de zonde •zijn wij aan onnatuurlijke verdooving gewend geraakt, en voelen haar niet meer. Evenals een mensch de bedompte atmosfeer waarin hjj ademt, niet voelt dan eerst daarna, als hij weer in de vrije lucht komt en tot het natuurlijke terugkeert.