Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bemiddelaars tusschen den heiligen God en den zondigen mensch. Geen „overheden noch machten", in de aardsche bedeeling, of in het rijk der booze geesten, nergens, nergens is waarlijk „macht" om den jonger des Heeren te schaden. Noch „tegenwoordige dingen", die het een mensch vaak zoo moeielijk kunnen maken en zwaar, noch „toekomende dingen", ach vaak zoo onzeker, zoo duister, zoo raadselvol. «Noch hoogte noch diepte", hemel noch hel met al het onnoembaar, onmeetbaar, ondenkbaar vele dat die beide tegenstellingen omvatten, „noch eenig ander schepsel", onder wat naam of vorm dan ook, niets hoegenaamd kan hem scheiden van de liefde Gods die daar is in Christus Jezus zijnen Heer.

Scheiden, scheiden — dat is een diepzinnig woord, en vooral in deze scheidingsure moeten wij trachten het goed te verstaan. Want voor Gods kinderen is ook daarvan de bitterheid weggenomen.

Er is meer dan één woord in de grondtalen der Heilige Schrift, hetwelk wij door „scheiden, afscheiden" kunnen weergeven. De wortel van het Hebreeuwsche woord dat wij met „heiligen" vertalen, beteekent niets anders dan „afzonderen, afscheiden." Zoo zonderde de Israëliet zijn offerdier van de overige kudde af, en bestemde het voor zijnen God. Hij adelde het dus daardoor, onttrok het aan het lager gebruik, en wijdde het zijnen Heer en Koning toe. Op deze lijn voortgaande stellen de Nieuw-Testamentische schrijvers de heiliging aan God van hart en leven voor als eene afzondering van de wereld die in het booze ligt, dus als eene opheffing, verheerlijking des levens, dat eerst door deze „scheiding", deze „afzondering" zijn ware eenheid en schoonheid ontvangt.

Doch er is ook een ander scheiden! Daar is een afzondering ten doode van wat leven kon en leven moest; een verbreken van de krachten die de verschillende deelen van het organisme te samen houden, zoodat zij, eenmaal losgeraakt, geen verdere levenskracht meer bezitten. Hetzelfde stamwoord dat in onzen tekst van het scheiden van de liefde Gods wordt gebezigd, komt in den brief aan Filémon voor van een slaaf die zijn wettigen eigenaar ontloopt, 0f — wüt gij een nog teederder beeld — in den eersten Korintherbrief van een man of vrouw die den heiligen huwelijksband verbreken. Dit „scheiden" is dus het drukken van den stempel des doods, der ontbinding, der vernietiging op wat tot leven, tot bloei, tot onlosmakelijk, saamhooren bestemd is. En nu wil de apostel Paulus zeggen: al die machten die ik daar opnoem, al die invloeden

Sluiten