is toegevoegd aan je favorieten.

De blijvende Heer daarboven (naar aanleiding van Romeinen 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij heeft die ellendigen aangevat, vastgehouden, tot in de diepste versmaadheid der helle toe, en zie noch hoogte noch diepte noch eenig ander schepsel vermocht hen te scheiden van de liefde van Christus! Deze liefde is „sterk als de dood", ja sterker nog dan deze vorst der verschrikking, want zij keert uit de dooden triomfantelijk weer. „Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten."

„In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad." Iemand is reeds overwinnaar wanneer zijn vijand gewond ter neder ligt. Maar toch, hij kan wellicht herstellen, en later den strijd opnieuw aanbinden. Maar over deze vijanden is Gods kind „meer dan overwinnaar"; zij zijn vernietigd, voor immer krachteloos. En dat „door Hem die ons heeft liefgehad." Door vrije, ongehoudene genade. Hoe zouden de maagden opstaan om den Bruidegom te begroeten, wanneer Hij niet op weg was gegaan? Hoe zouden de dorre doodsbeenderen levend worden en staan op hunne voeten, als niet de Geest des Heeren over hen vaardig werd? Hoe zouden in zonden en misdaden verlorene schepsels den Heiland hef hebben, wanneer Hij hen niet was voorgekomen, en hen niet het eerst had liefgehad?

Ziet, als wij dat mogen gelooven — en toch, niet waar? dat maakt alleen het Evangelie tot eene blijde boodschap voor verlorenen — dat God ons liefheeft in dezen Christus, ons Hoofd, dan wordt ons leven wonderschoon en wonderheerlijk. Dan wordt het een leven der hope, dan hebben wij een toekomst.

Ach, zoolang wij buiten den Heiland om leven, verteren we onze krachten. Wij moeten iets anders hebben dan de wereld ons biedt, wij zijn niet gelukkig, wij jagen naar een Ideaal dat ons telkens ontvliedt, wij willen „onze toekomst" en die onzer kinderen

verzekeren, wij jagen, wij sloven er voor, en toch het oude

Schriftwoord blijkt telkens maar al te waar te zijn: de goddeloozen, dat wil zeggen: de zonder God levenden, de God in Christus niet toebehoorenden, zij hebben geen vrede, zegt mijn God.

Maar, o zalige ommekeer! Sedert wij vrede vonden, doordat ons harte den Vredevorst leerde kennen, sedert zjjne liefde ons kille, redeneerende hart wist te breken, werd het anders, zoo gansch en al anders! Nu kwam daar „het gewaad des lofs voor een benauwden