Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid in het bijkomstige te niët doet, of van haar kracht berooft. Het is déze verwachting die Israël door de eeuwen gedragen en staande gehouden heeft, waar alle andere volken der oude wereld ten onder gegaan zijn; het is déze verwachting welke Israël's beschouwing van de geschiedenis der menschheid heeft gekleurd. Israël en Israël alleen heeft gekend een philosophie der historie al hoort dit woord philosophie bij Israël niet thuis — het heeft een eenheid gezien in de wereldgeschiedenis — de ontvouwing van een groot en aanbiddelijk heilsplan waarin het hart rust vindt, de geest zich verblijdt en waarbij het eer en vreugde is mede te werken tot zijn verwezenlijking. — Vandaar dat Israëls historie is ingevoegd in het verband van de geschiedenis van ons geheele geslacht; zij begint met de schepping der wereld, omvat begin en einde, en dat einde is heerlijkheid.

Waaruit is nu bij Israël zulk een verwachting ontsproten, zoo' grootsch, zoo blijvend, zoo stijgend? Uit een goedmoedig optimisme, waarover verstandige, wereldwijze menschen slechts kunnen glimlachen? Maar er wordt nergens een somberder oordeel over den mensch geveld dan in den Bijbel. Deze begint met het verhaal van den Zondeval. Van den Jahvistischen auteur, die de oudste klanken van heilsverwachting heeft bewaard, zijn ook de woorden in Gen. 6:5 ,,En Jahve zag dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos." — Geen scepticus heeft den Prediker nog overtroffen in zijn vertwijfeling aan de menschen, en aan alle levenswaarden. De profeten zijn reeds ontgoocheld voor hun optreden — en „nochthans, nochthans — ik haal wederom de eigen woorden van een hunner aan — zal ik in den Heer van vreugde opspringen en mij verblijden in den God mijns heils."

Voor de oudere Theologie bestond de door ons gestelde vraag eigenlijk niet. Men behoefde Gen. 3 maar op te slaan; daar lag, door God zelf geschonken, het begin dier verwachting; immers daar staat het geschreven, dat ook nadat de mensch heeft gezondigd, God zich niet terugtrekt noch den mensch loslaat. Als de mensch zich voor God verbergt, zoekt Deze hem op en roept hem. Dit naderen beteekent genade, en ook al wordt de zonde gestraft, in die straf roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. God zet vijandschap tusschen den mensch en zijn valschen vriend, het gepersonifieerde kwaad, en brengt zoodoende de menschheid weer aan zijn zijde over. Een strijd op leven en dood tusschen den mensch en de zonde zal ontbranden, maar het einde van dien door God zelf in het leven geroepen strijd kan niet twijfelachtig zijn. „Principieel, aldus Dr. Bavinck in zijne Dogmatiek, III, 191, bevat Gen. 3 heel de historie der menschheid, alle wegen Gods tot redding van het verlorene en tot overwinning der zonde. Zakelijk is hier het gansche Evangelie, heel het Verbond der genade aanwezig."

Ongetwijfeld zit in deze beschouwing diepte en heerlijkheid; een gouden draad van goddelijke ontferming loopt door de gansche geschiedenis der menschheid. Het troostend en sterkend uitzicht op de mogelijkheid van een Paradise regained zal den mensch op zijn gang

Sluiten