Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, Baur de criticus bij uitnemendheid. In 1869 zagen twee bij Teyler bekroonde verhandelingen het licht, van S. P. Heringa en W. Scheffer, waarin de verdiensten van Baur uitvoerig werden uiteengezet. Men was niet op de hoogte van zijn tijd, men was geen wetenschappelijk man en had het recht van meêspreken op critisch gebied verbeurd, wanneer men niet met den noodigen eerbied over den grooten Tübinger sprak 1). Het was nu eenmaal eene uitgemaakte zaak, dat men alleen langs den weg der tendentie-theorie achter het geheim van den oorsprong der nieuw-testamentische schriften kon komen. En al ging men over het algemeen niet zoo ver als Straatman, die Petrus Paulus liet nareizen om zijn invloed in de christelijke gemeenten te fnuiken, en die den dood van Paulus te Rome voor een groot deel toeschreef aan de machinatiën van petrinische Christenen 2), hierin was men het eens, dat eerst bij de erkenning van den strijd tusschen Petrinisten en Paulinisten de boeken des N. Testaments zich historisch lieten verklaren.

Zóó was het vele jaren lang. En hoe is het nu? Leest de „Verisimïlia" van Pierson en Naber, de „Quaestiones Patdinae," en de Gidsartikelen van Loman, den „Paulus"

1) Zie o. a. de recensie van de reet's genoemde Rede van Dr. J. J. van Toorenenbergen door L. W. E. Rauwenhoff in het Theol. Tgdschrift van 1880.

2) J. W. Straatman, Paulus de apostel van Jezus Christus, 1874, bl. 338; De Gemeente van Home tijdens en onmiddellijk na het leven der apostelen, 1878, bl. 50, 118, 122.

Met het oog op het eerst genoemde werk schreef Dr. E. H. van Leeuwen zijn: Tubingen-af in de Stemmen voor waarheid en vrede, 1875.

Sluiten