is toegevoegd aan je favorieten.

Hoe vertellen we aan onze kinderen de bijbelsche geschiedenis?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zin van leven, laat dan uw kind maar gerust grasduinen in de wereld zijner fantasie, waarin 't omgaat met kaboutermannetjes en sprekende dieren en waarin 't veel „echter" kind is, dan wanneer 't zit te luisteren naar 'n ongezond christelijk engelsch Zondagschoolverhaaltje, dat van louter „waarheid" onwaar is. Daar zijn natuurlijk sprookjes, die je niet aan kinderen moet vertellen, bv. dat nare sprookje van Blauwbaard. Zóó zijn 'r nog wel enkele. Maar de meeste brengen de dierenen plantenwereld 'n kind zoo heerlijk naderbij. Ik denk bv. aan Selma Lagerlöf's mooie boek: Niels Holgersons wonderbare reis. Het boek van v. EEDEN, De kleine Johannes is geen kinderboek. Toch geloof ik, dat je 'r kleine kinderen aardige dingen uit kunt vertellen.

En wanneer je dat kleine goedje geen sprookjes vertelt, gaan ze ze zelf maken. Je komt 'n kamer binnen. Een klein meisje loopt je tegemoet met 't vingertje voor den mond. Stl al haar kindertjes zijn ziek en de dokter is 'r juist. „Waar zijn de zieke kinderen?" Met hevige verontwaardiging over je domheid wijst 't naar allerlei leêge hoeken en plekken in de kamer, waar niets staat: „daar, en daar, en daar!" En dan moet je met dat lieve kind mééleven en zachtjes zeggen, dat je vindt, dat dat kleine meisje wel heel ziek is, maar dat dat jongetje wat beter schijnt te worden. „Da's óok 'n meisje! 't Zijn allemaal meisjes I 'k Heb geen jongetje!" „O! maar ik kon dat zóó ook niet zien, want ze liggen allen ook zoo diep onder de dekens". Ik ken 'n meisje, dat noemde zulk spelen „spelen met lucht". Dat deed ze 't liefste. Zou 't nu niet onbarmhartig zijn dat doddige moedertje uit haar fantasie-wereld te halen door de één of andere nuchtere opmerking? Maar als je dan met haar medespeelt, in hoogen ernst natuurlijk, heb je dan 'n gevoel van onoprechtheid? Is dat wereldje „onwaar"?

„Neen", zegt ge, „niet onwaar, maar onwerkelijk".

„Zoo? onwerkelijk? Misschien voor u, statige stadsmensch, beredeneerde nuchterling, maar is, wat voor u onwerkelijk is, 't ook voor uw kind? 'k Wil de vraag anders stellen: is uw kind soms niet werkelijk in actie, daar in die denkbeeldige ziekenkamer, komen daar heur werkelijke zielefaculteiten niet in werking? Misschien is ze nog nooit zoo werkelijk zich zelve geweest, als toen! Neen, niet haar wereld van fantasie maakt uw lieve meid onwaar, maar straks üw wereld van