Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet het volk ganschelijk. Zoo geschiedt het. Bileam geeft zich daarin. Weder zeven altaren met offeranden toegericht. Weder gaat Bileam uit op zijn tooverijen.

We hebben reeds laten gevoelen, dat dat een echt heidensche gedachte was, die we daar bij Balak ontmoeten. Door nieuwe offeranden en nieuwe pogingen (er kon eens een fout in den vorm begaan zijn!) kon misschien die God tot verandering bewogen worden. En Bileam zelf is ook gansch niet vrij van zulke gedachten. Een klaar bewijs, hoe een mensch soms een instrument des Geestes kan zijn, en toch, voor zijn persoon, het er in zijn hart zoo bij staan kan, dat zijn ziel een hopelooze afgrond van ongeloof, wangeloof en bijgeloof is.

Wederom komt Bileam met het woord, dat de Heere in zijnen mond gelegd heeft, tot Balak en de vorsten dei Moabieten terug, staande bij hun brandoffer. Balak vraagt: wat heeft de Heere gesproken ? De dwaas hoopte, dat hij nu meer succes zou hebben.

Daar heft de profeet weder zijne spreuk op. Het hemellicht straalt wêer aan het donkere zwerk.

Sta op, Balak, en hoor! Hij stond reeds, lichamelijk, bij zijn brandoffer. Maar dit is een opwekking, in den name Gods, dat zijn ziel zich oprichte, om met eerbied naar Gods Woord te hooren, dat hem bestraffen en beschamen zal. En dat hij als het ware, met zijn gehoor tot aan den mond van Gods profeet zal naderen, om recht op te merken.

Sta op, Balak, en hoor! Neig uwe ooren tot mij, gij zoon van Zippor! En daar komt de bestraffing!

God is geen man, dat Hij liege, Noch eens menschenkind, dat het Hem berouwe; Zou Hij het zeggen, en niet doen? Of spreken, en niet bestendig maken ? Wat een troost en vastheid voor de vromen ligt er in deze woorden, zoo bestraffend en beschamend voor Balak en Bileam beiden, die toch beproefd hadden, of God niet om te zetten

Sluiten